Mogen partijen aanspraak maken op democratische rechten als ze die van anderen niet erkennen? Zo nee, op welk moment dient ingegrepen te worden? En hoe? Paul Bordewijk schets de dilemma’s van een weerbare democratie.

Democratie is geen veilig bezit. Er zijn verkiezingen voor nodig, maar ook de bereidheid om een verlies te accepteren of, bij winst, de bereidheid om het resultaat als voorlopig te beschouwen; na een voorgeschreven termijn dienen er immers opnieuw eerlijke verkiezingen gehouden te worden. Daarom moet er vrijheid zijn alternatieven voor het regeringsbeleid naar voren te brengen en is er onafhankelijke rechtspraak nodig om in te grijpen als de regering probeert critici de mond te snoeren.

Niet elke partij is bereid tegenstanders die vrijheid te geven. Dat roept de vraag op of partijen die niet bereid zijn de democratische rechten van andere partijen te respecteren, zelf wel op die rechten aanspraak kunnen maken. In de loop van de tijd zie je de standpunten daarover verschuiven.

Het lukte Hitlers NSDAP voor de oorlog om in Duitsland de macht te veroveren en die te gebruiken om anderen het zwijgen op te leggen en te terroriseren. Dat kon geen verrassing zijn: de NSDAP had dat van tevoren aangekondigd. Maar democratie betekende destijds nu eenmaal dat ook je tegenstanders democratische rechten hadden; daarom waren er geen juridische mogelijkheden Hitler de pas af te snijden.

Sindsdien is men daar anders over gaan denken. In 1936 hield George van den Bergh zijn beroemde intreerede als hoogleraar staatsrecht in Amsterdam, waarin hij bepleitte antidemocratische partijen te verbieden; wat later ‘weerbare democratie’ zou gaan heten. Toen heeft dat tot niets geleid, maar na de oorlog kreeg Duitsland een grondwet waarin partijen konden worden verboden wanneer hun streven in strijd met de grondwet was. ‘Verfassungswidrig’ heet dat met zo’n prachtig Duits woord. Dat heeft ertoe geleid dat in West-Duitsland de Kommunistische Partei Deutschlands daadwerkelijk verboden werd.

In Nederland is men nooit zover gegaan. Wel werd er een soort cordon sanitaire tegen de communisten ingevoerd: na de Russische machtsgreep in Praag in 1948 werd op stel en sprong de gemeentewet gewijzigd om het de gemeenteraden mogelijk te maken de communistische wethouders te ontslaan; na het neerslaan door de Russen van de Hongaarse opstand in 1956 werden communistische raadsleden ook uit de raadscommissie geweerd. Toen alle politieke partijen zendtijd kregen, werd aanvankelijk de CPN daarvan uitgezonderd. Met de ontspanning tussen Oost en West werden later de verhoudingen genormaliseerd.

Er zijn wel rechtse antidemocratische groeperingen verboden; in 1955 de Nationaal Europese Sociale Beweging en in 1998 CP’86, de radicale afsplitsing van Janmaats Centrumpartij. Dat gebeurde met een beroep op de bescherming van de openbare orde. Het Burgerlijk Wetboek maakt dat mogelijk, maar daar is veel kritiek op vanwege de vaagheid van het criterium: wanneer heeft ‘de openbare orde’ bescherming nodig?

Intussen is er opnieuw een discussie over de weerbare democratie gaande. In 2014 is een herdruk van de rede van Van den Bergh van commentaar voorzien door Paul Cliteur en Bastiaan Rijpkema, van wie de laatste ook bij Cliteur op dit onderwerp zou promoveren. In zijn nawoord toont Cliteur zich een warm voorstander van de weerbare democratie, vanwege de door hem geconstateerde bedreiging van onze democratie door islamistische bewegingen.

In het huidige regeerakkoord is opgenomen dat artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek moet worden aangepast om beter op te kunnen treden tegen antidemocratische organisaties. De staatscommissie parlementair stelsel, een commissie die ‘is ingesteld om te onderzoeken of het parlementaire stelsel beantwoordt aan de eisen van de tijd’, is het daarmee eens. De discussie hierover vindt plaats tegen een achtergrond van andere antidemocratische bedreigingen dan die door fascisme en communisme.

In feite wordt de democratie in verschillende landen nu vanuit drie kanten bedreigd. Er is het salafisme, dat de democratie verwerpt omdat die de mens boven god stelt en waarvan sommige aanhangers wereldwijd terroristische aanslagen plegen. In reactie daarop zijn anti-islambewegingen ontstaan, die moslims hun burgerrechten willen onthouden en eveneens terreurdaden plegen. Anders Breivik is daar het meest afschrikwekkende voorbeeld van. En dan heeft zich in reactie daarop weer een intolerant antifascisme ontwikkeld, dat zich eveneens uit in terreuraanslagen. In Nederland zijn Hans Janmaat, Aad Kosto en Pim Fortuyn het slachtoffer daarvan geworden.

Gelukkig zijn er in al deze drie uithoeken van de politieke ruimte maar weinig mensen die daadwerkelijk tot geweld overgaan, maar er zijn veel meer mensen die in de ene vorm van geweld een verontschuldiging voor de andere zien. Tussen de anti-islamisten en de antifascisten is vooral op twitter een permanente polemiek gaande, waarin beide partijen klagen dat de ander te veel aandacht krijgt in de media.

Het lijkt me heel verstandig dat de grond voor het ontbinden van verenigingen in het algemeen – en van politieke partijen in het bijzonder – scherp wordt omschreven en niet gebaseerd wordt op iets vaags als de openbare orde. Dan kun je ook evenwichtig optreden tegen antidemocraten uit verschillende hoeken. Maar daarmee ben je er niet. Als een partij voor loting pleit in plaats van voor verkiezingen als basis voor een volksvertegenwoordiging, is dat antidemocratisch? Mag je die partij dan oprichten?

Een ander lastig probleem is in welk stadium je een partij moet verbieden. Volgens het Duitse constitutionele hof was een verbod van de NPD niet gerechtvaardigd omdat die partij zo weinig aanhang had dat hij daardoor niet gevaarlijk was. Maar zou in het tegenovergestelde geval zo’n verbod niet tot extreem veel geweld hebben geleid, en misschien wel tot een revolutie? In Algerije en Egypte heeft het leger de macht gegrepen om islamistische meerderheden het zwijgen op te leggen. Dat was heel weerbaar, maar van democratie is er in die landen geen sprake meer.

Daarbij komt dat, anders dan vroeger, er maar weinig antidemocraten zijn die zich openlijk voor een eenpartijstelsel uitspreken. In plaats daarvan is de ‘illiberale democratie’ in opmars, zoals in Hongarije, Polen, Turkije en Rusland, waarbij de politieke meerderheid anderen het spreken onmogelijk maakt, maar hen wel toestaat aan verkiezingen deel te nemen. Trump zou dat ook graag willen. In Nederland eisten Wilders en Baudet het ontslag van wetenschappers die hen onwelgevallige uitspraken deden, en gingen zo nog voor ze de macht hebben, ook dit pad op.

Volgens recente artikelen van Rijpkema dient de weerbare democratie zich daar ook tegen te keren. Pikant daarbij is dat hij nog in 2013 samen met Baudet een artikel in NRC Handelsblad heeft geschreven, waarin zij terecht het ondemocratische karakter van vrijhandelsverdrag TTIP aan de kaak stellen.

Er zijn ook andere manieren om invulling te geven aan de weerbare democratie dan het verbieden van partijen. Nederland kent sinds kort de participatieverklaring, waarin nieuwkomers hun loyaliteit betonen aan onze normen en waarden. Je kunt dat niet vragen van wie al Nederlander is – dat werd ook als bezwaar gezien, omdat dit ongelijkheid voor nieuwkomers zou betekenen – maar je zou het als onderdeel van de ambtseed wel kunnen vragen van iedereen die een politieke functie vervult. Het onderschrijven van onze waarden en normen gaat veel verder dan het formele ‘getrouw zijn aan de Grondwet’.

Een ander middel zou zijn om, veel vaker dan nu gebeurt, ontzetting uit het kiesrecht op te leggen als bijkomende straf van een veroordeling voor misdrijven die onze kernwaarden aantasten. Dus niet bij een bankroof, maar wel bij de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en bij aanslagen op synagogen en moskeeën. Zoiets heeft een sterk symbolisch effect, omdat het mensen buiten de gemeenschap plaatst, maar je voorkomt ook dat dit soort types in een gemeenteraad of de Tweede Kamer terecht komen.

Ook dit roept levensgrote dilemma’s op. Had Wilders niet uit het kiesrecht ontzet moeten worden vanwege het ophitsen van zijn aanhang tegen Marokkanen? Cliteur vond echter nu al dat met het proces tegen Wilders ‘de rechter de politiek werd ingezogen’. Dat zou nog sterker worden als de rechter Wilders uit het kiesrecht zou ontzetten. Maar dat gebeurt ook wanneer de rechter gevraagd wordt een partij te verbieden, waar Cliteur juist weer vóór is.

Wanneer de rechtbank gelijk heeft met zijn veroordeling van Wilders, zou ontzetting uit het kiesrecht een passende straf zijn geweest. Maar het had ook een revolutionaire situatie kunnen opleveren als een politicus met zo’n grote aanhang onverkiesbaar zou worden. Dat zou de rechters in een lastig parket brengen. Misschien zou een voorwaardelijke veroordeling in dat geval uitkomst hebben gebracht. In ieder geval geeft dit het dilemma aan: naarmate we meer inhoud willen geven aan het begrip weerbare democratie, wordt de rechter verder de politiek in gezogen.