‘Lang leve identiteitspolitiek’ stelt Asha ten Broeke in haar Volkskrant-column met de titel ‘We hebben juist meer identiteitspolitiek nodig, niet minder’. Al schrijft ze ook: ‘Eerst een bekentenis: ik weet niet wat identiteitspolitiek precies is. Een vermoeden heb ik wel, natuurlijk, maar steeds wanneer ik probeer mijn vinger erop te leggen, ontglipt het me.’ Een terecht punt: wat is identiteitspolitiek eigenlijk? Wat is er mis mee? Daarvoor moeten we volgens mij vooral kijken naar het tweede woord in die samenstelling, namelijk: politiek.

Asha heeft gelijk als ze stelt dat de term ‘identiteitspolitiek’ te pas en te onpas wordt gebruikt. Een genderneutraal rompertje van de Hema? Dat heeft gewoon met keuzevrijheid te maken. Er zijn ouders – en kinderen – die graag een bredere keuze hebben dan hun jongens ‘stoer’ of hun meisjes ‘schattig’ aan te kleden. Het is ook geen identiteitspolitiek als mensen hun pindakaas liever met stukjes noot hebben, of liever een cashewnotenpasta eten, dus waarom is een ruimere keuze op het gebied van kleding opeens wel een probleem?

Ook diversiteit in de media zou ik niet onder identiteitspolitiek willen scharen. Een diversiteit aan perspectieven is een noodzakelijke voorwaarde voor goede informatievoorziening, wat in ieders belang is. Zo zouden we misschien niet zo verrast worden door de grote steun voor de Turkse president Erdogan, als meer journalisten hadden geweten wat er speelt in Turks-Nederlandse gemeenschap. Het lijkt mij logisch dat mensen die thuis zijn in die omgeving, dat sneller oppikken dan journalisten die voornamelijk opgegroeid zijn in een grotendeels ‘autochtone’ Nederlandse omgeving. Het gaat dan niet zo zeer om ‘identiteit’, maar vooral om iemands netwerk; het kapitaal van een journalist.

Daarnaast hebben we lang geleden besloten dat we in Nederland iedereen in gelijke gevallen gelijk behandelen. Het is dan ook geen identiteitspolitiek om erop te wijzen als mensen tóch ongelijk behandeld worden op basis van niet ter zake doende kenmerken, zoals huidskleur, geslacht of geaardheid. Wie daar aandacht voor vraagt, doet niets meer dan de rest van de samenleving houden aan de eigen principes.

Ook de waarden ‘wijsheid, vrijheid, gelijkheid, solidariteit’ deel ik graag met Asha. Toch ben ik het niet met haar eens dat we méér identiteitspolitiek nodig hebben om die waarden te bevorderen. Integendeel: zodra identiteiten politiek worden, komen die wijsheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit namelijk in de knel. Want identiteitspolitiek gaat ook over, de naam zegt het al, politiek. En net als in de reguliere politiek kom je dan uit bij partijprogramma’s, fractiediscipline en woordvoerders.

Partijprogramma’s

Bij identiteitspolitiek is het de identiteit die een ‘partijprogramma’ wordt, waar meer aan vast hangt dan slechts uiterlijke kenmerken of afkomst. Zo ben je volgens de rechtse identiteitspolitiek van Thierry Baudet niet alleen een Nederlander, maar ben je ook gevormd door het christendom; zelfs een atheïst is volgens hem een volger van Jezus. Collega Wilders vindt dat de kleur van Zwarte Piet niet te veranderen is, want die is onlosmakelijk verbonden met Nederland, dus met ‘ons’. Deze opvattingen impliceren dat de identiteit ‘Nederlander’ meer inhoudt dan het simpele feit dat je hier geboren bent en belastingen betaalt.

Dat geldt ook voor identiteitspolitiek aan de andere kant. Termen als ‘witte norm’, ‘culturele toe-eigening’ of ‘Westers’ veronderstellen veel meer dan een huidskleur of afkomst, want ze hebben betrekking op álle aspecten van het leven. Zo kan voedsel door ‘witte mensen’ verpest zijnmag sommige kleding niet door hen gedragen worden, zijn er specifieke witte hobby’s, is muziek meer of minder wit, zijn er boeken die witte mensen moeten lezen en is er een enkeling die beweert dat Westerlingen de zwaartekracht hebben uitgevonden.

Fractiediscipline

Wat je ook vindt van deze voorbeelden, het zijn nogal wat aspecten om voor of tegen te zijn. Met als gevolg dat je, zodra je het complete partijprogramma niet onderschrijft, je aanspraak op een identiteit kunt verliezen. Wie geboren en getogen is in Nederland en zich verzet tegen het christendom, of die vindt dat het nodig is om Zwarte Piet aan te passen, is dan geen ‘echte’ Nederlander. Mensen die niet wit zijn, maar die desondanks meedoen aan zaken die dat volgens het partijprogramma wél zijn, kunnen toch als ‘wit’ beschouwd worden. Wijk je van het partijprogramma af, dan kun je tot de orde geroepen worden, oftewel: je krijgt te maken met ‘fractiediscipline’.

Dat leidt tot bizarre situaties. Zo was de Brits-Franse Emilie François onder andere bekend van haar rol in de film Sense and Sensibility, maar sinds haar bekering tot de islam gaat ze als Myriam François-Serrah door het leven; nu is ze journaliste, academica en een prominente stem in het Britse debat. Ze zet zich aan de ene kant af tegen ‘political whiteness’ – waarbij ze expliciet zegt dat dit dus niet om huidskleur gaat, maar om een opvatting over machtsrelaties – terwijl ze aan de andere kant leden van de organisatie Council of Ex-Muslims of Britain ‘native informants’ noemt – een term die impliceert dat zij verraad plegen aan hun eigen identiteit, ten gunste van een ‘witte onderdrukker’. Zo geeft een witte vrouw, die er in alle vrijheid voor gekozen heeft zich tot de islam te bekeren, mensen met een islamitische achtergrond een veeg uit de pan, omdat ze opkomen voor hun rechten om niet in de god van de Koran te geloven.

‘Native informant’ is niet de enige term voor mensen die niet voldoen aan het partijprogramma van hun identiteit: ‘bounty’, ‘oreo’, ‘coon’ en ‘uncle Tom’ zijn slechts enkele van de termen waarmee mensen die ‘buiten’ hun identiteit stappen de wacht wordt aangezegd. Niet alleen in Engeland of de VS: ook de volgens Asha ‘immer scherpzinnige anti-racist Arzu Aslan’ spreekt regelmatig ‘PoC’ (People of Colour) aan als ze volgens haar aan ‘witte invechtings’ doen, of ‘gebrainwashed’ zijn door een ‘wit perspectief’.

Dit heeft niets meer met wijsheid, vrijheid, gelijkheid of solidariteit te maken. Dit is politiek.

Woordvoerders

Dat roept de vraag op: wie spreekt er eigenlijk namens een identiteit? Spreken Wilders en Baudet voor ‘de Nederlander’? En wie spreekt er voor ‘de moslim’, ‘de zwarte man of vrouw’, ‘de lhbt’er’? En wie mag er niet spreken?

Van eerdergenoemde Arzu mogen ‘(witte) niet-moslims’ niets zeggen over ‘Nora’ een fictieve moslima die op Twitter allerlei mensen aanspreekt op vermeende islamofobie – waaronder Volkskrant-journaliste Nadia Ezzeroili, die zelf voormalig moslima is – want dat is ‘gestook tussen moslims en moslima’s op een wit podium’. Tegelijk worden de ervaringen van ex-moslim Rachid, die zich in het EO-programma Tijs en de Ramadan niet veilig genoeg voelt om herkenbaar in beeld te komen, door haar weggehoond.

Ook komiek en presentator Salaheddinne heeft zich ‘kapotgelachen’ om de ervaringen van Rachid. Diezelfde Salaheddinne berispt daarnaast voormalig GroenLinks-kamerlid Tofik Dibi, omdat die openlijk over zijn homoseksualiteit heeft gesproken. ‘Ik kan mij het bijna niet voorstellen dat je met je vriend bij je opa op visite gaat […] dat hoort gewoon nooit te kunnen […] effe serieus, we zijn toch geen Nederlanders, we zijn toch gewoon moslims’. Daar voegt hij aan toe dat hij misschien zelf ook wel een ‘zwak’ voor sommige zaken heeft, ‘maar ik zou absoluut niet willen dat dat gemeengoed zou worden in mijn cultuur’.

Als een identiteit een partijprogramma is, dan werpen deze mensen zich op als de partijwoordvoerders.

Méér identiteiten

En al die andere identiteiten dan, behalve wit, zwart, moslim, christen, atheïst, Nederlander, buitenlander, hetero, homo? Zoals ouder, kind, vriend, vriendin, oom, tante? En al onze verschillende ervaringen, meningen en ambities? De verschillende mensen om ons heen, ook als ze politiek lijnrecht tegenover ons staan? En dat we blij worden van witte of zwarte muziek, literatuur, hobby’s, ook al past dat eventueel niet bij onze kleur?

Dit alles gaat verloren als een identiteit niet meer bestaat uit een uniek samenspel van ál deze en andere factoren, maar een partijprogramma wordt waar je wél of niet bij hoort. Want dát, Asha, is volgens mij identiteitspolitiek. Dan gaat fractiediscipline een rol spelen. Dan werpen mensen zich op als de woordvoerder van ‘jouw’ identiteit.

Terwijl we vooral nodig hebben dat we in onze samenleving ál onze identiteiten allemaal op onze eigen, unieke manier kunnen uiten. Dat we tegen die nauwe partijprogramma’s van één identiteit in kunnen gaan en gewoon onszelf kunnen zijn.

In andere woorden: laten we staan voor het individu, binnen welke groep dan ook. Daar hebben we geen identiteitspolitiek voor nodig, maar vooral véél meer identiteiten die niet begrensd worden door partijprogramma’s, fractiediscipline en woordvoerders – die, kortom, niet opgeofferd worden aan politiek.

Jan Bockma heeft diverse identiteiten, waarbij hij het geluk heeft dat er geen een van wordt onderdrukt. Hij is onder meer tekstschrijver, student, muzikant, betweter en ‘best een aardige jongen’