Wat is het postmodernisme? Onbegrijpelijk academisch geneuzel? Een gedachtegoed dat ons complete vrijheid heeft gebracht? Of een destructieve denkwijze die al het goede van het vrije Westen ondermijnt? Eén ding is zeker: het komt na het modernisme. Dus laten we daar beginnen.

‘These fragments I have shored against my ruins’. Dichter T.S. Eliot veegt in zijn gedicht The Waste Land de scherven bij elkaar. Literatuur, religie, keizerrijken, liedjes, noem het maar op: de voorgaande millennia zijn in de dichtregels volledig door elkaar gehusseld. De doden uit Dante’s Inferno lopen nu niet naar de ingang van de hel, maar over London Bridge. Diezelfde brug komt aan het einde terug in een kinderliedje: ‘London Bridge is falling down falling down falling down’.

Eliot probeert er het beste van te maken, maar hij mist een groot verhaal om zijn kunst aan op te hangen. In tegenstelling tot Dante: die kon in de twaalfde eeuw nog zijn Goddelijke Komedie baseren op zijn katholieke wereldbeeld; op de bijzondere rol die ‘zijn’ Florence volgens hem in de wereld zou moeten spelen.

Eliot ziet zulke grootse ideeën voor zijn ogen verdwijnen. De Verlichting, de enkele eeuwen eerder ingezette revolutie waarin de ratio, de logica en de mens centraal staat in plaats van een geloof in God, heeft het christelijke wereldbeeld inmiddels flink geweld aangedaan. De Eerste Wereldoorlog heeft net miljoenen mensen de dood in gejaagd. Overal om Eliot heen storten de grootmachten in: het Duitse rijk, het keizerrijk Oostenrijk en in 1922, het jaar dat The Waste Land gepubliceerd wordt, het Ottomaanse rijk. Misschien, denkt de dichter, als hij de brokstukken bij elkaar brengt, ontstaat er een kruisbestuiving die het begin is van een nieuw groot verhaal.

Modernisme

In zekere zin is dat gelukt: het fragmentarische The Waste Land is een onbetwist hoogtepunt van de modernistische poëzie. Het modernisme is aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw een bonte verzameling van revolutionaire opvattingen en experimentele kunsten. Als je het in één woord samen zou moeten vatten staat daarin ‘vervreemding’ centraal. Het is onder meer het gedachtegoed van Karl Marx over de industriële revolutie: de arbeider wordt beroofd van de regie over het product dat hij maakt en hij wordt achter een lopende band slechts een radertje in een machine. De steeds groter en anoniemer wordende industriesteden zorgen ervoor dat de relaties tussen mensen onderling afgebroken worden. Ze vervreemden van hun arbeid, maar ook van elkaar. Ze vervreemden van hun menselijkheid.

Tijdens het modernisme worden opeens de donkere kanten van de Verlichting zichtbaar. Met de groeiende fabrieksproductie groeit ook de uitbuiting van arbeiders; met de technologische vooruitgang ontstaan afschuwelijke wapens als mosterdgas.

Ook de gruwelijkheid van het koloniale rijk wordt steeds moeilijker te ontkennen, zoals in Joseph Conrads beroemde – en inmiddels zeer omstreden – novelle Heart of Darkness. Maar Marlow, de verteller van het verhaal, kan zichzelf nog voorhouden dat hij als kolonist onschuldig is. We hebben allemaal een idee nodig, zegt hij, iets groots waar we voor kunnen knielen. Dan hoeven we niet de duisternis van onze eigen harten onder ogen te zien.

De duisternis

De Tweede Wereldoorlog maakt het definitief onmogelijk weg te kijken. De Verlichting heeft gefaald. De industriële massamoord op zes miljoen joden en op miljoenen anderen, zoals homoseksuelen, zigeuners en gehandicapten, dwingt iedere serieuze beschouwer om de duisternis in het menselijk hart onder ogen te zien. Hoe kun je nog iets moois willen maken na zoiets gruwelijks als Auschwitz, vraagt filosoof, socioloog en muziektheoreticus Theodor Adorno zich af. Dat willen proberen zou ‘barbaars’ zijn.

Terwijl met de ‘Space Age’ het vooruitgangsgeloof in de VS doorzet, wordt in Europa steeds meer getwijfeld aan de eigen ideeën – de bevrijder heeft wellicht iets meer redenen om optimistisch te zijn dan het continent dat de Holocaust in haar midden heeft laten gebeuren. Het christendom? De vooruitgangsbelofte van de Verlichting? Steeds komt men bedrogen uit. Hadden de modernisten in ieder geval nog behoefte aan een groot verhaal – of werd dat op z’n minst overwogen – na de Tweede Wereldoorlog wordt steeds meer betwijfeld of een groot verhaal überhaupt mogelijk is.

Structuralisme

Het zogeheten ‘structuralisme’ dat in het Frankrijk van de jaren ’50 een vlucht neemt, heeft daarop een belangrijke invloed. De structuralisten bouwen voort op de taalkundige theorieën van Ferdinand de Saussure (1857-1913). De Saussure liet zien dat taal nooit iets ‘puurs’ is, maar een systeem van tekens die allemaal afhankelijk van elkaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan het woord ‘boom’; of je nu het Franse, het Nederlandse, het Engelse of het Latijnse woord ervoor gebruikt, het is allemaal even willekeurig. Geen ervan is hét oorspronkelijke woord voor een boom, want taal is een systeem dat mensen creëren én veranderen. En terwijl de een bij het woord ‘boom’ denkt aan een dennenboom, denkt de ander misschien aan een kastanjeboom – dus zelfs de betekenis van het woord is niet zuiver.

Trouwens, pas als je duidelijk wilt maken dat je géén dennenboom bedoelt, zal je het woord ‘kastanjeboom’ gebruiken in plaats van het simpelere ‘boom’. Want woorden zijn volgens De Saussure vooral nodig om aan te duiden wat iets níet is, in plaats van wat het wél is. Een kastanjeboom en een dennenboom delen immers het boom-zijn; het is precies het deel wat ze onderscheidt dat benoemd moet worden. Elke woord bestaat dus eigenlijk alleen in relatie tot andere woorden: een boom is namelijk vooral géén stok, struik of bloem.

De structuralisten laten zien dat teksten die in eerste instantie op zichzelf lijken te staan, altijd in grotere structuren bestaan. Wie het over de nacht heeft, heeft het automatisch ook over de dag, ook als dat woord in een tekst niet genoemd wordt; als de dag niet zou bestaan, zou er namelijk geen woord voor de nacht nodig zijn. Maar denk ook aan genres: een sprookje wordt herkend aan bepaalde vaste elementen, zoals de woorden ‘Er was eens …’ en ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. Zonder die elementen wordt het moeilijker om een tekst als sprookje te herkennen.

Tekensysteem

Elke taaluiting staat volgens het structuralisme dus in relatie tot een groter tekensysteem. Maar de structuralisten voeren dat nog veel verder door: zij zien die systemen ook doorwerken in andere zaken die een culturele betekenis hebben. Denk bijvoorbeeld aan mode: wie z’n broek achterstevoren aandoet, komt nu vooral verward over. Maar toen begin jaren ’90 het jonge rap-duo Kris Kross de gigantische hit Jump scoorde en de jongens zelfs samenwerkten met Michael Jackson, was je broek achterstevoren dragen vooral een heel stoer symbool – passend bij het rebelse imago van rap. Op het moment dat Kris Kross niet meer stoer was, waren de achterstevoren gedragen broeken dat ook niet meer.

Alles bestaat dus in een context die mensen met elkaar creëren. De poststructuralisten, de opvolgers van de structuralisten, voeren dat idee verder door. Als alles in structuren bestaat, dan bestaat er niet zoiets als een oorspronkelijke waarheid. Er bestaan geen feiten. Er zijn, vrij naar Nietzsche, alleen maar interpretaties. Daarmee worden de ideeën van de Verlichting, zoals de ratio en de logica, ondermijnd. Dat is volgens hen niet eng, maar bevrijdend: er ontstaat een vrije ruimte die we zelf vorm kunnen geven. We hoeven namelijk niet meer in bestaande structuren gevangen te blijven, maar kunnen die ondermijnen.

Niets heilig

Het poststructuralistische gedachtegoed biedt zo de intellectuele basis voor het postmodernisme, een stroming die dominant wordt in de kunst en cultuur in de tweede helft van de twintigste eeuw. Postmoderne schrijvers, kunstenaars, intellectuelen vinden grote waarheidsclaims verdacht; het zijn slechts ideeën die geconstrueerd zijn om macht in stand te houden. Parodie, ironische afstand, de lezer of kijker laten zien dat een verhaal ook maar een kunstmatige constructie is, dat zijn de technieken van de postmodernisten – niets is heilig meer.

Deze manier van denken maakt het mogelijk om bijvoorbeeld traditionele mannen- en vrouwenrollen te ontmantelen. Als het idee dat mannen geen nagellak op mogen doen en vrouwen wel slechts een structuur is – een ‘sociale constructie’, een ‘genderrol’, geen ‘natuurlijke’ situatie – wat houdt je dan eigenlijk tegen om die structuur om te buigen en als man wél nagellak te dragen? Als het slechts een sociale constructie is dat mannen en vrouwen met elkaar naar bed mogen, maar mannen niet met mannen, of vrouwen niet met vrouwen, dan kun je die constructie ondermijnen. Als zwart zijn vooral betekent dat je níet wit bent, dan kun je het hele systeem van relaties – ideeën van ‘blanke superioriteit’ – op zijn kop zetten: door te laten zien hoe die constructies in de dagelijkse praktijk bestaan en in stand gehouden worden.

Op die manier levert het postmodernisme in de Westerse wereld veel intellectueel en cultureel gereedschap om te strijden tegen de achterstelling van vrouwen, racisme, discriminatie van homoseksuelen en onderdrukking van andere groepen die niet voldoen aan de ‘witte, mannelijke, heteroseksuele’ maatschappelijke norm. Om die reden wordt ook vandaag de dag door antiracistische en feministische denkers, of in vakgebieden als gender of queer studies, nog veel voortgebouwd op poststructuralistische en postmoderne ideeën. Denk bijvoorbeeld aan het woord ‘blank’ dat volgens veel antiracisten zo’n sociale constructie is om ongelijkheid in stand te houden: het woord suggereert volgens hen een bepaalde reinheid, onschuld, in tegenstelling tot het neutralere – en daarmee minder superieure – ‘zwart’.

Schaduwzijde

Maar de kracht van het postmodernisme, namelijk inherente twijfel en wantrouwen ten opzichte van waarheidsclaims, begint nu ook een schaduwzijde te laten zien. Wetenschapssocioloog Bruno Latour heeft in zijn carrière regelmatig gedemonstreerd hoe ogenschijnlijk objectieve wetenschap ook sociaal geconstrueerd wordt. Maar in zijn essay Why Has Critique Run Out of Steam? begint hij zich zorgen te maken. Het is volgens hem namelijk nooit de bedoeling geweest verder van de waarheid af te drijven, maar er juist dichter bij te komen.

Het laten zien dat er geen ultieme waarheid bestaat; dat een ogenschijnlijke verzameling feiten stiekem een ideologie kan verhullen: voorheen is het wellicht een motor van vooruitgang geweest. Maar nu kan het ons in gevaar brengen. Latour wijst op gevaarlijke lobby’s die vooral benadrukken dat niet álle wetenschappers het eens zijn over klimaatverandering. En hij heeft geen poot meer om op te staan om te betogen dat klimaatverandering gewoon een ‘feit’ is. Hij vraagt zich af: waar houdt gezonde cultuurkritiek op en waar begint de complottheorie?

De journalist Peter Pomerantsev ziet eenzelfde gevaar in Rusland. Hij wijst erop dat Vladislav Surkov, een vertrouweling van Poetin die een grote vinger in de pap heeft gehad bij onder meer het media- en propagandabeleid, erg geïnspireerd is door postmoderne denkers als Baudrillard. Surkov heeft volgens Pomerantsev van Rusland één grote postmoderne virtual-realityshow gemaakt. Wat het ene moment als feit gepresenteerd wordt, wordt het volgende moment ontkend. Het gaat er niet meer om of het waar is of niet. Het gaat erom dat er zoveel gezegd wordt, dat je het ook niet meer gelooft als het wél waar is.

Er is geen waarheid. Er zijn geen feiten. Er zijn alleen maar interpretaties. Of, zoals Donald Trump zegt: Fake news! Het post-truth-tijdperk is de ultieme postmoderne conditie.

Een ‘echt’ verhaal

Onder veel denkers en kunstenaars zie je dan ook een verlangen om terug te keren naar de werkelijkheid. Want er is wel degelijk een groter verhaal, een kern van alles wat we doen: het leven zelf. Maar blijkbaar weten we niet zo goed wat de bedoeling daarvan nou precies is.

Dus modderen we maar wat aan. We hebben in ieder geval ooit geleerd dat té zeker weten wat de kern is, leidt tot gevaarlijke situaties. Maar het volledig loslaten van alle zekerheden heeft ook zo z’n risico’s. Want als waarheid, democratie en mensenrechten slechts constructies zijn, dan zijn leven en dood ook maar relatief. Terwijl er dood helemaal niets meer valt te construeren.

Dat aanmodderen is dus misschien wel de juiste middenweg tussen radicale twijfel en absolute zekerheid. Misschien moeten we, net als Eliot, vooral scherven bij elkaar blijven vegen. Kunst. Literatuur. Ideeën. Niet omdat we daar een groot, overkoepelend verhaal uit halen, maar omdat de scherven zelf de moeite waard zijn. Omdat we die kunnen delen met onze naasten, die zelf hun eigen collectie bij elkaar geveegd hebben. Omdat het horen van meerdere verhalen altijd interessanter is dan je te beperken tot één verhaal.

Omdat deze analyse ook maar een fractie weer kan geven van het modernisme en postmodernisme, terwijl iemand anders er een compleet ander verhaal over kan vertellen. Als de ander betere fragmenten uit weet te kiezen, wordt het misschien wel méér ‘waar’ dan dit verhaal.

‘These fragments I have shored against my ruins’. Misschien is er niets meer dan dat. Misschien is dat ook helemaal niet erg.