‘Populisme als smoesje van een falende elite’

Ode aan het klootjesvolk van Coos Huijsen is een beschouwend boek met soms stevige uitspraken over de tegenstellingen tussen de elite en het gewone volk. 

Geen beter moment dan nu om dit boek te lezen. Het is verplichte kost als we de coronacrisis te boven zijn en lessen gaan trekken voor de toekomst en voor de inrichting van onze, naar nu blijkt, zeer kwetsbare samenleving.  

Er is ‘een herwaardering nodig van de begrippen gelijkheid, gelijkwaardigheid en solidariteit die doorwerkt in onze kijk op de democratie inclusief een taakopvatting van een elite waarin de dienstbaarheid centraal staat. We zijn toe aan het resetten van de democratie omdat deze in Nederland nooit is volgroeid en te eenzijdig is ingesteld op de theoretisch opgeleide burger,’ zegt Huijsen. Hij maakt consequent onderscheid tussen de theoretisch en praktisch opgeleiden, om het wat vriendelijk te houden.

Het ‘klootjesvolk’ laat in deze crisis zien dat zij het land draaiende houdt en de vitale functies uitvoert, niet dankzij maar ondanks de elite. De theoretisch geschoolde elite zit thuis in de chatrooms en past op de kinderen. De praktisch opgeleiden houden de vitale functies draaiende, zorgen voor patiënten, maken ziekenhuizen schoon, naaien mondkapjes, springen in om asperges alsnog te oogsten, bezorgen boodschappen en zijn nu de helden en frontsoldaten. Het gras op het Malieveld groeit weer aan na maanden van protesten van ondergewaardeerde beroepsgroepen. Nu staan zij vooraan om Nederland door de crisis te loodsen. ‘Het kan verkeren,’ zei Bredero al. 

‘We zijn in oorlog,’ roepen de in strakke maatpakken, gladgestreken witte overhemden en donkere stropdassen geklede theoretisch opgeleiden. Soms met merkwaardig schoeisel en geknipt door hun vrouw, met de kapper als instructeur via de iPad. 

En dit terwijl de zorg piept en kraakt, de economie nagenoeg tot stilstand is gekomen, er onvoldoende hulpmiddelen zijn en mensen sterven. Maar samen lossen we dit op! Of we ook echt ‘samen’ verder gaan als dit achter de rug is, valt te betwijfelen maar is zeer goed denkbaar – áls we lessen willen trekken uit deze crisis. De wijze raad van een mede-historicus als Huijsen zou ook Mark Rutte aan het denken moeten zetten.

Wellicht is dit boek, meer nog dan een ‘ode aan het klootjesvolk’, een spiegel voor de elite. Huijsen maakt van zijn hart geen moordkuil en geeft in heldere en niet mis te verstane taal de theoretische elite een lesje nederigheid. Hij schrijft als 81-jarige historicus een helder en onderbouwd betoog. En zoals een historicus betaamt, heeft hij zijn kaartenbak met bronnen, teksten en uitspraken nog eens goed doorgespit.

Huijsen leidt ons al citerend en opiniërend door de tijd, waar hij ook nog een korte periode Kamerlid was. Hij neemt ons op een kritische manier mee in zijn, soms eenzame, reis langs het politieke landschap van liberale en christelijke volkspartijen en sociaaldemocraten. Op zoek naar de dienaren van het volk; gefrustreerd over de veelbelovende babyboomers die uiteindelijk een nog groter gat sloegen tussen de elite en het gewone volk. 

De reis begint in de jaren 60, maar voert ons ook langs de tijd van Willem van Oranje, de Stadhouders, de Republiek der Verenigde Nederlanden, de andere Oranjes en de tijd na de wereldoorlogen. De globalisering en – in het klein – zijn ontmoetingen met onder andere Joop den Uyl, Hans Janmaat en Thierry Baudet passeren de revue. De literatuur die voorbij komt, is divers: van Machiavelli tot Mulisch. De massaal bezochte musical Soldaat van Oranje wordt opgevoerd als bewijs dat het volk wel verbonden kan worden. Huijsen schetst meerdere momenten waar het Oranjehuis het gat tussen de elite en het volk verkleinde.

Natuurlijk ontbreken ook de multiculturele samenleving, immigratie en integratie niet. Huijsen is daar heel helder in en geeft aan dat de theoretisch opgeleiden niet dezelfde prijs betalen voor de multiculturele samenleving als de praktisch opgeleiden. ‘De gewone man moest meemaken dat zijn belevingswereld het moest afleggen tegen de belevingswereld van de progressieve intelligentsia, gebaseerd op vage ideeën die ze mooi vonden, maar waarvan ze de consequenties vaak niet konden overzien. Het noodzakelijke open debat hierover werd gefrustreerd door de overwegingen van de gewone man als immoreel af te doen en te snel te associëren met dooddoeners als xenofobie, racisme en fascisme’.

Huijsen geeft aan dat de kern van de hedendaagse democratische problemen niet ligt bij populistische dreigingen, maar bij het gedrag van de elite zelf, die de grootste moeite heeft buiten zichzelf te treden.

‘In de lijn van Fortuyn en Wilders bekritiseerde Baudet de elite, die hij bij zijn stap naar de politiek is gaan neerzetten als het ‘partijkartel’ – dat hij wil tegenwerken via democratiseringsmaatregelen, zoals gekozen burgemeesters en (vooral) het referendum. Van de superstaat waarop, naar zijn mening, de Europese Unie wel moet uitlopen, moet hij niets hebben. De pianist, de schaker, de gymnasiast, de snob, de academicus, de blanke intellectueel van gegoede huize uit Haarlem – in alles voelen zij: Baudet is een van hen, van ‘ons soort mensen’. Des te groter is het gevoel van verraad: een van hen heeft zich tegen hen gekeerd.’

Huijsen noemt het platform Vrij Links in zijn boek als voorbeeld van een organisatie die de zorg om de vrijzinnige en seculiere wortels van links heeft vastgelegd in een manifest. Hij onderschrijft dat het gaat om ‘authentieke progressiviteit die samengaat met een principiële seculiere basis, de vanzelfsprekendheid van vrouwen- en lgbt-emancipatie en die zich bewust niet wil laten definiëren zonder sociaal engagement of zonder solidariteit met de onderkant van de samenleving, het klootjesvolk’.

Mocht iemand nog zoeken naar de Nederlandse identiteit, dan heeft Huijsen die gevonden. Hij beschrijft helder en mooi de ontwikkeling van onze staat vanaf de opstand tegen de Spanjaarden in de 16e eeuw. De Amerikanen zouden zo’n historie omarmen en jaarlijks vieren. In Nederland discussieert de elite over het herschrijven van onze geschiedenis.

Huijsen merkt op dat ondanks alle gepraat over staatsrechtelijke vernieuwing in Nederland er nog weinig gerealiseerd is. ‘Sterker nog, het raadplegend referendum is onlangs door de regering met daarin D66 weer ingetrokken. De enige wijzigingen tot nu toe: de benoeming van de burgemeester is uit de Grondwet gehaald (wat nog geen garantie is voor een gekozen burgemeester) en de procedure van de kabinetsformatie is gewijzigd’. Het laatste is typisch Haagse symboolpolitiek volgens Huijsen.

Huijsen pakt uit door aan te geven dat ‘meritocratische elites, van wie het denkraam vooral gefixeerd is door de winsten op de Amsterdamse Zuidas, die de vernissages aflopen van het Stedelijk Museum, met narcistisch genoegen elkaars gewichtigheid bevestigen tijdens de pauzes van de Matthäus-Passion in Naarden en badinerend afgeven op de belevingswereld van de gewone man, niet passen in een volwaardige democratie (mochten zij dat überhaupt willen)’. 

Hij geeft aan ‘dat mensen nodig zijn, die op grond van hun capaciteiten en engagement bereid zijn gespecialiseerde bestuurlijke functies te vervullen. Dat wil zeggen als een ‘functionele elite’, waarvan de leden ondanks hun ambities en belangen weet hebben van medemenselijkheid en van dienstbaarheid aan de samenleving. Kortom, voor wie het niet meer dan normaal is om rekening te houden met de belangen en de belevingswereld van gewone mensen’. 

Als ik deze oproep van Huijsen lees denk ik zelf aan bijvoorbeeld aan iemand als Feike Sijbesma, oud-CEO van DSM, die nu meehelpt aan het bestrijden van de coronacrisis, die de vinger op de zere plek legt, daar wat aan doet en zich niet laat leiden door de waan van de dag. Ook kijkt hij verder vooruit dan menig politicus, zo vraagt hij bijvoorbeeld nu al aandacht voor de corona-gevolgen in Afrika.

Huijsen begint zijn boek met nog niet aan waarde ingeboete quotes van Huib Drion [1] uit 1967:
‘Ook nu wordt het woord fascisme door velen, intellectuelen en niet intellectuelen, gebezigd voor alles waar men het land aan heeft. Het is een typisch voorbeeld van de neiging bepaalde woorden te gebruiken niet om hun rationele betekenis maar om de emotionele ondertoon van goed- of afkeuring.’

‘Door de zwakheden van de democratie te negeren maakt men zich blind voor de gevaren die haar altijd bedreigen en zullen blijven bedreigen.’

1967 was ook ongeveer het jaar dat Huijsen, als onderwijzer en bevlogen verhalenverteller op de Prins Bernhardschool in Delft, mij de ogen opende voor het vak geschiedenis. Dat maakte dat ik toen wist dat ik later leraar wilde worden. Echter, het hoofd van de lagere school besliste anders. Mijn vader was fabrieksarbeider dus ik zou goed af zijn op de ambachtsschool – naar mijn ambities werd niet gevraagd. Zoet was de ervaring een aantal jaren later. Ik mocht als stagiair van de toenmalige pedagogische academie lesgeven op mijn oude lagere school.

Huijsen was toen al vertrokken en toegetreden tot de ‘politieke elite’ maar hij bleef een buitenbeentje, door zijn geaardheid – hij was de eerste openlijk homoseksuele parlementariër ter wereld – dan wel door zijn meningen. Zijn overgang van de CHU naar de PvdA was opmerkelijk, net als zijn nu net uitgegeven boek Ode aan het klootjesvolk.

Dat ik deze recensie voor Vrij Links schrijf, is voor mij een bijzondere ervaring en in zekere zin is voor mij de cirkel rond. Maar ik denk ook voor Huijsen, die met zijn boek een reis aflegt langs de paden van zijn bijzondere leven en nog een zeer actuele boodschap voor ons heeft.

Ode aan het klootjesvolk
Populisme als smoesje van een falende elite
Coos Huijsen
248 pagina’s, paperback, € 21,99
Uitgeverij Prometheus

[1] Tirade, 1967

Vrij Links lijn

Vrij Links is een meerstemmig platform. Tenzij anders vermeld, spreken auteurs op persoonlijke titel.