‘De beste start voor ieder kind’. Onder die titel presenteerde de PvdA vorige week een voorstel om de vrijheid van onderwijs, artikel 23 van de Grondwet, te herzien. Jan Bockma analyseert het voorstel punt voor punt en vindt het een stap in de goede richting, al zou hij graag een toevoeging zien: ‘Ik vind dat het respecteren van de individualiteit van de leerling ook een plaats in de Grondwet verdient’.

Het was uitstekende timing: woensdag lanceerde PvdA-leider Lodewijk Asscher de plannen om de vrijheid van onderwijs te moderniseren, om zo kinderen ongeacht hun achtergrond gelijke kansen te bieden. Op vrijdag in dezelfde week maakte de Onderwijsraad hun conclusie bekend dat het onderwijsstelsel vernieuwing behoeft.

Om te zien wat er verandert als het PvdA-voorstel ingevoerd zou worden, behandel ik het punt voor punt. Hierbij moet ik het voorbehoud maken dat ik niet juridisch onderlegd ben, dus de kans is levensgroot dat ik zaken over het hoofd zie. Ik laat me dan ook graag door beter geïnformeerde lezers corrigeren.

Dat gezegd hebbende, op naar lid 1 van het voorstel.

1. Iedereen heeft recht op onderwijs. Regeling hiervan geschiedt bij of krachtens de wet.

Lid 1 zou volledig nieuw zijn en is wat mij betreft een prima toevoeging aan de Grondwet. Het recht op onderwijs is op dit moment al opgenomen in verschillende mensenrechtenverdragen en krijgt in Nederland vorm via de Leerplichtwet. De PvdA stelt dat dit recht toevoegen aan de Grondwet ‘niet alleen goed onderwijs [waarborgt], maar bijvoorbeeld ook toegankelijk en adaptief (maatwerk) onderwijs’. Hiermee wil de partij de kansengelijkheid in het onderwijs verhogen. De kwaliteit en het maatwerk worden genoemd in het volgende lid.

2. Het onderwijs en gelijke kansen in het onderwijs zijn een voorwerp van de aanhoudende zorg van de regering en de gemeenten. Bij wet worden voorwaarden gesteld aan de kwaliteit van het onderwijs en wordt gewaarborgd dat scholen met maatwerk recht kunnen doen aan individuele verschillen tussen leerlingen.

Dit lid voegt het huidige lid 1 en 2 samen en voegt er ‘gelijke kansen’ en ‘maatwerk’ aan toe. Een belangrijk punt, al is het wel de vraag in hoeverre maatwerk in strijd is met een door de Onderwijsraad geconstateerd probleem: er is te veel verscheidenheid in schooltypen, waardoor kinderen die flink van elkaar verschillen elkaar niet meer ontmoeten, omdat ze ieder hun eigen traject doorlopen. Of maatwerk bijdraagt aan segregatie hangt er dan erg vanaf of dit leidt tot nóg meer schooltypen, of dat het maatwerk juist binnen een diverse klas wordt geboden.

Ook opvallend zijn de verschillen met het huidige lid 2: de formulering ‘[h]et geven van onderwijs is vrij’ is verdwenen. Het lijkt echter niet waarschijnlijk dat daarmee iets fundamenteels verandert, want ook in de huidige formulering is sprake van overheidstoezicht – zo vrij is het onderwijs dus ook weer niet. Wel blijft het toezicht van de overheid in de huidige formulering – ‘onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven’ – beperkt tot de ‘bij de wet aangewezen vormen van onderwijs’. De vormen van onderwijs die niet bij wet zijn aangewezen, spelen in het PvdA-voorstel geen rol meer.

3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.

Hier zien we geen veranderingen, want lid 3 is in de huidige formulering precies hetzelfde. Het is een belangrijk uitgangspunt voor openbaar onderwijs: leg geen godsdiensten of levensovertuigingen op aan anderen. Hier zien we een belangrijk verschil met het openbaar onderwijs: daarvoor is het niet vereist ieders godsdienst of levensovertuiging te eerbiedigen.

De vraag is wel hoe ver ‘eerbiediging’ moet gaan; ik vind dat elke godsdienst of levensovertuiging aan stevige kritiek bloot moet kunnen staan, maar wat de een ‘kritiek’ vindt, is volgens anderen ‘oneerbiedig’.

4. Leerplichtige kinderen wordt het onderwijs kosteloos aangeboden uit de openbare kas.

Een volledig nieuw lid, dat volgens de PvdA de ‘kans [biedt] om ouderbijdragen als segregerende factor in het onderwijs te minimaliseren, waarbij het tegengaan van excessen kan geschieden in lagere wet- en regelgeving’. Op dit moment vragen scholen soms een stevige ‘vrijwillige’ ouderbijdrage, maar daarmee worden leerlingen met minder draagkrachtige ouders geweerd. Zo schrijft actualiteitenprogramma Nieuwsuur hierover in gesprek met Trudy Coenen, oud-‘Juf van het jaar’, van het Montessori College Oost te Amsterdam:

‘De docent kent mensen die hun kinderen bewust naar de vrije school brengen waar ze duizend euro ouderbijdrage moeten betalen. “Want dan zit er tenminste geen Achmed in de klas. Dus schaf de schoolbijdrage voor ouders af. Dat zou een begin kunnen zijn.”’

Het is dus een uitstekende toevoeging om kosteloos onderwijs in de Grondwet op te nemen. Idealiter zou ik graag zien dat alleen het openbaar en niet het bijzonder onderwijs bekostigd wordt. Als we onderwijs uit de openbare kas bekostigen, dan lijkt het mij rechtvaardig dat het betreffende onderwijs ook openbaar is.

5. De overheid biedt in elke gemeente goed openbaar funderend onderwijs aan in een toereikend aantal openbare scholen. De wet kan echter tevens regels stellen die het mogelijk maken dat openbaar onderwijs gestalte krijgt op een school die zowel openbaar als bijzonder onderwijs aanbiedt.

Deze formulering is een aangepaste versie van het huidige lid 4, waarin de overheidsplicht tot het zorgen voor een ‘genoegzaam aantal openbare scholen’ is vastgelegd. Het merendeel van de scholen in Nederland behoort tot het bijzonder onderwijs; momenteel zijn er volgens het CBS van de basisscholen 2.124 openbaar en 4.683 bijzonder; van de middelbare scholen zijn er 186 openbaar en 466 bijzonder. Omdat openbare scholen in de minderheid zijn, bestaat het risico dat ouders hun kinderen noodgedwongen naar een bijzondere school moeten sturen, terwijl ze de levensbeschouwelijke of pedagogische visie van die school absoluut niet delen.

Volgens de PvdA maakt deze herformulering mogelijk dat ‘openbaar onderwijs ook op een zogenoemde samenwerkingsschool gestalte kan krijgen’; dan zou bijvoorbeeld een rooms-katholieke school ook openbaar onderwijs aan kunnen bieden. De vraag is dan wel wat nieuw is aan het PvdA-voorstel: de formulering van het huidige artikel is in 2006 al zodanig gewijzigd om dit mogelijk te maken.

De PvdA voegt er ook aan toe dat ‘de term ‘funderend onderwijs’ beter bij de huidige tijd [past] dan de wijze waarop het nu is geformuleerd, namelijk ‘algemeen vormend lager onderwijs’’ – een cosmetische aanpassing dus.

Tenzij ik iets over het hoofd zie – wat heel goed mogelijk is – lijkt het voorstel niets wezenlijks veranderen aan het huidige lid. Het is wel veel toegankelijker geformuleerd, wat natuurlijk ook wat waard is.

6. Het onderwijs voldoet aan deugdelijkheidseisen die de lesstof vastleggen en de kwaliteit het onderwijs waarborgen. Regeling hiervan geschiedt bij of krachtens de wet.

Deze herformulering van het huidige lid 5 is interessanter om wat erin verdwijnt dan om wat het toevoegt. De huidige formulering is als volgt:

‘De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting […] Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.’

In het PvdA-voorstel wordt de vrijheid van richting niet meer meegenomen in de deugdelijkheidseisen. Dat lijkt me een uitstekende wijziging: als lesmaterialen of leraren niet voldoen aan de deugdelijkheidseisen voor openbare scholen, dan hoort hetzelfde te gelden voor bijzondere scholen. Wie kansengelijkheid wil, kan niet accepteren dat de Grondwet het mogelijk maakt dat kinderen op bijzondere scholen minder deugdelijk onderwijs krijgen dan kinderen op openbare scholen.

7. Zowel openbaar als bijzonder onderwijs draagt bij aan de democratische vorming van burgers en aan eerbiediging voor de rechten van de mens. Regeling hiervan geschiedt bij of krachtens de wet.

Een toegevoegd lid waar ik alleen maar heel erg blij van kan worden. Zoals PvdA-leider Lodewijk Asscher in een interview met het AD zegt: ‘We hebben democratisch bepaald dat onderwijs over homoseksualiteit, over gelijkheid man-vrouw en de Tweede Wereldoorlog onderdeel zijn van onze kerndoelen’. De grondslag van een school mag volgens hem geen reden zijn om kinderen onderwijs over deze onderwerpen te weigeren. Dat ben ik hartgrondig met hem eens.

8. De deugdelijkheidseisen voor het algemeen vormend onderwijs worden zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd.

Met deze herformulering van het huidige artikel 7 vervalt het onderscheid tussen ‘lager’ en ‘middelbaar’ onderwijs. Op dit moment is wel voor het lager openbaar en bijzonder onderwijs dezelfde ‘maatstaf’ voor bekostiging vastgelegd, maar voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar onderwijs worden daar wettelijke voorwaarden aan verbonden. Dat wordt in dit voorstel gelijkgeschakeld met ál het openbare onderwijs, waaronder dus ook het openbaar middelbaar onderwijs. De reden waarom wordt in het volgende lid duidelijk.

Terzijde: enigszins verwarrend dat hier weer wordt gesproken over ‘algemeen vormend’, terwijl het algemeen vormend lager onderwijs in artikel 6 vervangen nog werd vervangen door ‘funderend’.

9. Scholen die geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas worden bekostigd, zijn verplicht om alle leerlingen op gelijke voet te accepteren. Leerlingen en hun ouders respecteren de grondslag van de school.

Hier wordt voortgebouwd op de formulering van bekostiging uit openbare kas uit het vorige lid. Dit lid zou een nieuwe toevoeging aan de Grondwet zijn en roept van het voorstel de meeste weerstand op bij de confessionele partijen. Op dit moment is het in het bijzonder onderwijs – in tegenstelling tot in het openbare onderwijs – namelijk mogelijk om leerlingen op basis van hun achtergrond te weigeren. Zo mag een katholieke school een kind van islamitische huize weigeren, omdat die religieuze overtuiging niet past bij de grondslag van de school. Met deze toevoeging aan de Grondwet zouden ook bijzondere scholen een plicht krijgen om leerlingen, ongeacht hun achtergrond, te accepteren.

Een uitstekende en hoognodige toevoeging. Ik sluit me volledig aan bij de woorden van Asscher in het AD: ‘Een recht op onderwijs is goed voor alle kinderen, óók christelijke en islamitische kinderen. Als een meisje geen verpleegkunde kan gaan studeren aan een christelijke school omdat ze niet christelijk is, vind ik dat niet uit te leggen.’

Respecteren?

Wel vind ik de term ‘respecteren’ in deze formulering iets te vaag. ‘Natuurlijk moet je niet vloekend de leraren in de rede vallen’ zegt Asscher in het AD, en dat lijkt me inderdaad een duidelijk voorbeeld van ‘niet respecteren’. Ook van ouders mag je verwachten dat ze een bewuste keuze maken om hun kind naar een bijzondere school te laten gaan, dus dan zou het gek zijn als ze zich opeens respectloos uit gaan laten over die grondslag. Maar ik denk dat er wél ruimte moet zijn voor voortschrijdend inzicht en dat zeker kinderen de vrijheid krijgen om hardop zaken te betwijfelen.

Want wat gebeurt er als een kind op een school met een religieuze inslag beseft dat ze helemaal niet in een God gelooft? Wanneer valt het stellen van vragen, het niet meer geloven van ideeën, het bekritiseren van bepaalde aannames, nog onder het ‘respecteren’ van de grondslag van de school? En wanneer niet meer?

Zo moeten meisjes op sommige islamitische basisscholen in groep 5 al een hoofddoek dragen. We hebben het dan over kinderen van 8 à 9 jaar oud. Wat als zo’n meisje besluit dat ze die hoofddoek niet wil? Zoiets aangeven bij ouders is al moeilijk, maar wat als het betekent dat ze ook naar een andere school moet? Keuzevrijheid bestaat voor haar dan vrijwel niet. En mag ze überhaupt hardop betwijfelen waarom ze die hoofddoek op moet zetten? Valt dat nog onder ‘respecteren’? Of is dat afhankelijk van de interpretatie van de school?

Individualiteit

Daarnaast moet respect volgens mij wederzijds zijn. Ik denk dat hier nog een wereld te winnen valt, want een leerling op gelijke voet ‘accepteren’ is nog niet hetzelfde als die leerling ook ‘respecteren’. Als ik de PvdA slechts één suggestie zou mogen doen, is het om niet alleen grondwettelijk vast te leggen dat leerlingen en ouders de grondslag van de school respecteren, maar ook expliciet vast te leggen dat de school de individualiteit van de leerling respecteert. Op die manier is het gevraagde respect meer in balans, zonder dat mensen elkaar vloekend in de rede hoeven te vallen.

10. De regering doet de Staten Generaal jaarlijks verslag van de staat van het onderwijs.

Het laatste lid van het PvdA-voorstel is hetzelfde als in het huidige lid 8. Niets mis mee, lijkt me.

Conclusie

Het Nederlandse onderwijsstelsel is aan grote vernieuwing toe, dus het PvdA-voorstel komt geen moment te vroeg. Het recht op kosteloos onderwijs en gelijke kansen zijn waardevolle toevoegingen. Iets meer twijfel heb ik bij ‘maatwerk’, want dat is denk ik heel erg afhankelijk van de uitvoering en zou tot meer segregatie kunnen leiden.

Daarnaast zou ik het liefst zien dat ieder kind naar de openbare school gaat, onder het motto: onderwijs dat uit de openbare kas bekostigd wordt, moet ook openbaar zijn. Maar de hakken in het zand van de confessionele partijen over het invoeren van een acceptatieplicht doen al het ergste vrezen voor het huidige voorstel, net als het feit dat de meeste scholen in Nederland tot de bijzondere behoren; afschaffing van het bijzonder onderwijs is op dit moment dus zeker niet haalbaar.

Maar ook al is het PvdA-voorstel dus niet ideaal, het doet wel wat aan de flinke privileges die bijzondere scholen nu nog hebben. Zoals Asscher in het AD zegt: ‘De Grondwet is nu niet kinderen en ouders tot steun, maar een ‘bemoei je er niet mee’-bord.’ Met dit voorstel kunnen bijzondere scholen geen beroep meer doen op de Grondwet om zich te onttrekken aan deugdelijkheidseisen voor leraren en lesstof; ze kunnen zich niet meer onttrekken aan het onderwijzen over democratie en mensenrechten; ze kunnen leerlingen niet meer op basis van hun achtergrond weigeren. Dat zijn concrete, noodzakelijke wijzigingen om meer kansengelijkheid en rechtvaardiger onderwijs te creëren.

Een belangrijk privilege blijft echter wel bestaan. Hoewel scholen leerlingen moeten accepteren, zorgt dit voorstel er nog niet voor dat ze ook de leerlingen in hun individualiteit moeten respecteren. Hoewel in lid 2 wordt genoemd dat scholen met het bieden van maatwerk recht ‘kunnen’ doen aan individuele verschillen, suggereert deze woordkeuze dat dit slechts optioneel is.

Expliciet in de Grondwet benoemen dat de school de individualiteit van de leerling dient te respecteren, zeker in relatie tot het respecteren van de grondslag van de school, geeft kinderen in ieder geval meer macht om zich ook als individu tot die grondslag te verhouden; om zélf te beslissen of ze bijvoorbeeld willen voldoen aan vergaande kledingeisen, zoals het verplicht dragen van een hoofddoek.

Ik vind dat we als samenleving mogen eisen dat scholen de individualiteit van hun leerlingen respecteren. Het bieden van kansengelijkheid veronderstelt immers zelf al dat de individualiteit van leerlingen gerespecteerd dient te worden; wie niet zichzelf kan zijn, heeft per definitie niet de mogelijkheid kansen wel of niet te pakken. Ik vind dat daar in de Grondwet plaats voor moet zijn.

Met die toevoeging zou dit PvdA-voorstel volgens mij niet slechts een stap in de goede richting zijn, maar een reuzensprong.

Afbeelding: Lodewijk Asscher in PvdA-promotiefilm Kansen voor kinderen

Vrij Links lijn

Vrij Links is een meerstemmig platform. Tenzij anders vermeld, spreken auteurs op persoonlijke titel.