Ik ging naar het herdenkingsconcert van volkszanger en dichter Lounes Matoub in de Parijse Bataclan. Hij maakte achtentwintig albums en werd twintig jaar geleden op vijfentwintig juni 1998 doodgeschoten. Wie was Lounes Matoub? En waarom was de Algerijnse-Kabbylier zo een pain in the ass van de overheid en de islamisten?

Toen het lied ‘Vijftien miljoen mensen’ van Fluitsma & Van Tijn de zorgeloze Nederlandse identiteit van de jaren negentig samenvatte, zag ik op het televisiejournaal met grote regelmaat symbooltjes van ontploffingen op de Algerijnse landkaart. Het zinnebeeld gaf op dat Algerijnse stukje aarde de plek aan waar een aanslag was gepleegd door islamitische milities óf het overheidsleger.

De strijd tussen het leger en de islamitische rebellen werd onder andere uitgevochten door onschuldige burgers ‘s nachts in hun slaap te verrassen en de keel met een bot mes door te snijden. De aanzet tot de burgeroorlog, die van 1991 tot 2001 duurde en meer dan honderdvijftigduizend doden en nog meer slachtoffers maakte, was het winnen van de eerste ronde van de verkiezingen door de islamitische partij Front Islamique du Salut (Fis). De regering annuleerde de tweede ronde en de oorlog, die een decennium zou duren, was geboren.

Ook werden kunstenaars en journalisten vermoord, die zich sterk maakten voor het vrije woord, zoals de Raï-zanger Cheb Hasni en schrijver-journalist Tahar Djaout. Over het geweld van de jaren negentig is de fanatisch mooie documentaire Oran, de tweede pest gemaakt, door Kees de Groot van Embden. Helaas is de film niet op het internet terug te vinden, en kun je haar alleen bestellen bij ‘Beeld en Geluid’.

De schrijver-journalist Tahar Djaout voorspelde in zijn angstaanjagende roman De laatste zomer van de rede, die postuum werd gepubliceerd, hoe een maatschappij eruit ziet als religieuze radicalen het voor het zeggen krijgen. Omdat Djaout naar zijn lijfspreuk leefde, moest hij dood. Het aforisme luidt: ‘Als je spreekt, zul je sterven. Als je zwijgt, zul je doodgaan. Dus spreek en sterf.’

De enige artiest die aanvankelijk de toorn van de extremisten overleefde was de populaire dichter en volkszanger Lounes Matoub. Hij werd in 1994 door gewapende strijders uit een café ontvoerd in Kabylië – een streek in het noorden van Algerije waar de Kabbyliers wonen. De liedteksten van Lounes Matoub werden door een geïmproviseerde rechtbank geanalyseerd. Hij werd door de shariarechtbank, ergens in het bos, ter dood veroordeeld. Die straf was niet verwonderlijk, want Lounes Matoub zong al in 1980 dat geloven in Allah hetzelfde als jezelf van een klif werpen is. Het nummer God is groot is een parodie op de islam in strofes. Iedere keer dat ik lees dat de ‘islamitische wereld’ een Life of Brian nodig heeft, schud ik het hoofd en vraag ik mij af wanneer het ‘Westen’ van dat kruis afkomt.

De opgelegde straf werd niet uitgevoerd, en Lounes Matoub werd na twee weken vrijgelaten, wel moest hij van zijn gijzelnemers zweren nooit meer een noot te zingen.

Een unicum, want tot dan toe was geen enkele Algerijn levend bij de islamisten vandaan gekeerd. Waarschijnlijk waren de rebellen bang voor de reactie van het volk wanneer ze hun volkszanger zouden ontnemen. In de hoofdstad van Kabbylie, Tizi-Ouzou, waren gedurende de ontvoering van Matoub honderdduizend demonstranten de straat opgegaan, die zijn vrijlating eisten.

Het waren niet alleen de islamisten die Matoub Lounes liever arm dan rijk waren. Ook de overheid had een broertje dood aan hem. In 1988 werd hij door een kogelregen van de politie doorzeefd, omdat hij meeliep in een demonstratie voor de emancipatie van de Berbertaal en cultuur – de overheid bedient zich van het Arabisch en Frans, terwijl minimaal tien procent van het land Berbertalig is. In 1990 werd hij meerdere malen in een politiebureau neergestoken, omdat hij wederom tegen de arabisering van zijn taal en cultuur protesteerde.

Die moordpogingen overleefde hij.

Nadat Lounes Matoub door de islamisten werd vrijgelaten, vluchtte hij naar Frankrijk. Hij brak de belofte die hij hen had gedaan, want na een korte periode in Parijs keerde hij terug naar zijn geboorteland met songs voor het dubbelalbum L’espoir dat in 1996 verscheen, waarin de islamisten en de pan-arabistische overheid er weer van langs kregen. Ook schreef hij in die Parijse periode zijn autobiografie Rebelle. Toen de autobiografie Rebelle verscheen zei Lounes Matoub in een vraaggesprek uit 1995 met het Algemeen Dagblad: “De regering heeft de hoop van de jongeren vernietigd en de moskeeën hebben van hun ontreddering gebruik gemaakt. In Algerije zijn twaalfduizend moskeeën en er zijn dagelijks vijf gebedsbijeenkomsten. Dat brengt het aantal preken op 60.000 per dag. Denk je eens in wat een impact het geloof daarmee kan hebben op een ontwrichte maatschappij.”

Lounes Matoub geloofde dat hij Algerije kon veranderen en vond het zijn eer te na om zich in Frankrijk te ‘verstoppen’ en ging terug.

Op 25 juni 1998 rijdt hij overdag met zijn vrouw Nadia en twee schoonzussen door Tizi-Ouzou in een hinderlaag. Hij wordt uit zijn auto gehaald en onder de brandende zon neergeschoten. Op het asfalt liet hij op 42-jarige leeftijd het leven. Zijn vrouw en schoonzusters raakten gewond.

Op 1 juli 1998 schreef dagblad Trouw dat de ‘verantwoordelijkheid’ voor de moord werd genomen door Hassan Hattab, de leider van een afdeling van het Gewapende Islamitische Verzet  (Gia), de gewapende tak van de Fis. Ik verbaas mij altijd als er wordt geschreven dat terroristen ergens de verantwoording voor nemen, omdat ik het woord ‘verantwoordelijkheid’ ervaar als een van de wegen naar het optimisme, en het verspreiden van dood en verderf is een pad naar de afgrond.

Op de begrafenisdag van de volkszanger bleek hoeveel mensen zijn strijd tegen de monopolistische tradities van de islam steunden, een groot deel van de aanwezigen zong liederen en was vrouw, wat allebei niet in overeenstemming is met de islamitische zeden.

Bij leven was Lounes Matoub voor zijn fans een cultuuricoon, de dood maakte van hem een martelaar, die stierf voor het vrije woord. Zijn poëzie en muziek zijn tegenwoordig niet weg te denken in de verschillende berberemancipatiebewegingen in Noord-Afrika en de diaspora.

Het is maandag 25 juni 2018 twintig jaar geleden dat Lounes Matoub stierf. Op vrijdag 22 juni organiseerde zijn weduwe Nadia Matoub een herdenkingsconcert in Parijs met artiesten waarin de stem en boodschap van Lounes Matoub doorleeft. Het concert werd met veel gevoel voor symboliek georganiseerd in de Bataclan, de concertzaal waar tijdens de Parijse aanslagen van november 2015, negenentachtig mensen door jihadisten werden doodgeschoten, een groot deel van de terroristen had een berberachtergrond. De weerslag van die aanslag en anderen is overal zichtbaar in het huidige Parijs. Op het perron en het station van Gare du Nord zijn overal militairen aanwezig. Ook in de stad lopen de gewapende soldaten hun rondes. Ik bezoek Parijs regelmatig, maar er aan wennen lukt niet: ze zijn er voor de veiligheid, maar hoe kun je je veilig voelen als je een militair met mitrailleur ziet staan?

In de rij van de Bataclan wacht ik met een vriend om naar binnen te gaan. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat het als iedere andere wachtrij is. Een paar weken geleden zag ik de documentaireserie November 13 – Attack on Paris. Het verhaal behelsde drie afleveringen, waarvan het tweede deel, over de aanslag in de Bataclan gaat. Ik kon de tweede aflevering niet een keer uitkijken, door de ontsteltenis, woede en schrik. De drie jonge jongens die negenentachtig mensen vermoordden in de Bataclan, en daarna zichzelf opbliezen, of doodgeschoten werden, hadden dezelfde domme haat in hun aderen stromen als de moordenaars van Lounes Matoub.

Ik verzet mijn gedachten en denk aan de woorden van Lounes Matoub: “Van mij mag iedereen naar de moskee, als ik maar naar het café mag om een whisky te drinken.” 

Binnen bestelde ik aan de bar twee witte wijn. Ik kreeg het in een beker met daarop het logo van de Bataclan in het rood.

Ik proostte met mijn gezelschap en nam de volgeladen, belaadde ruimte in mij op.

Het publiek bestond uit vooral Algerijnse-Fransen. Het viel op dat er veel stelletjes waren. In Nederland zie ik dat weinig op Marokkaanse avonden.

Er hing een goede en gemoedelijke sfeer, temeer door de dames op leeftijd in de typische felgekleurde Kabbylische klederdracht, de kleuren van de flora en fauna van de landstreek Kabbylië.

De ruimte was door de technici prachtig uitgelicht.

Terwijl het publiek een zitplek zocht, draaide een kortfilm over Lounes Matoubs leven. De avond opende met een woord vooraf van Nadia Matoub, de weduwe. Ze vertelde over de heroïsche gedichten van haar man en dat hij is gestorven om zijn gedachten. De opening werd afgerond met 1-minuutstilte. Daarna traden bekende artiesten als Ali Amrane en Akli-D op, die Lounes Matoub eerden door zijn nummers te zingen.

Het hoogtepunt van de avond was van de artiest Oulahlou, hij liet de uitverkochte zaal zinderen. Toen hij zijn protestlied Pouvoir assassin zong, werden de fluwelen bankjes dichtgeklapt en klapte het dol enthousiaste publiek hun handen tot de kleur rood. Het was een intens bravo.

Het is twintig jaar geleden dat Lounes Matoub werd vermoord. In de Bataclan zag ik dat dat niet gelukt was met zijn muziek, poëzie en persoon, die waren springlevend.

Lounes Matoub had groot respect voor de schrijver Tahar Djaout. Na Djaouts dood schreef en zong hij het lied Kenza, voor de dochter van de vermoorde schrijver. Hij was het niet eens met de lijfspreuk van Tahar Djaout, en bewerkte die vrij naar zijn persoon: “Ik wil spreken en niet sterven. Ik wil leven.

Het was hem niet gegund.

 

Dit blog verscheen eerder op asisaynan.nl