Hoe ga je om met verschillende moraalsystemen in de multiculturele schoolklas? Historicus Martin Harlaar betoogt dat pabo’s hun studenten meer handvatten moeten bieden. ‘Wetenschappelijk onderzoek heeft, met name de laatste decennia, veel nieuwe inzichten in moraal opgeleverd.’

Menig progressief mens denkt bij het horen van de term ‘moraal’ al snel terug aan brave borsten als Jan Peter Balkenende en slogans als ‘fatsoen moet je doen.’ Het is de hoogste tijd om de ramen eens flink tegen elkaar open te zetten en moraal te verlossen van zijn stoffige imago. Meer kennis van moraal kan leerkrachten handvatten bieden in hun multiculturele klaslokaal. De pabo zou daar een voortrekkersrol in kunnen en, naar mijn mening, moeten vervullen.

Net zoals pabo-studenten eerst zelf goed moeten kunnen rekenen en schrijven om het later hun leerlingen te kunnen leren, zullen zij eerst zelf moeten leren wat moraal is. Ze moeten begrijpen hoe de onderliggende mechanismes werken, voordat ze de problemen die voortvloeien uit de wrijvingen en botsingen tussen moraalsystemen in hun klas aan kunnen pakken en hun leerlingen kunnen leren hoe zij het best met die verschillen en, vooral, met elkaar om kunnen gaan.

In dit artikel wil ik ingaan op wat moraal is, waar die vandaan komt en enkele voorbeelden geven van wat de wetenschap met name in de afgelopen decennia aan nieuwe inzichten heeft opgeleverd.

Wat is moraal?

Op Wikipedia vinden we een heldere en toegankelijke definitie:

‘Moraal: het geheel van handelingen en gedragingen die, in een maatschappelijke context, als correct en wenselijk worden gezien.’ (Wikipedia)

Het zal eenieder duidelijk zijn dat wat als correct en wenselijk wordt beschouwd in een christelijke maatschappij, niet geheel zal samenvallen met wat als correct en wenselijk wordt beschouwd in eentje die joods of islamitisch is. Wat is correct en wenselijk in een multiculturele maatschappij als de Nederlandse? En dan bedoel ik niet achter de voordeur of in synagoge, kerk of moskee, maar daar waar mensen met verschillende morele achtergronden elkaar tegenkomen, zoals in het multiculturele klaslokaal.

Laat ik proberen het wat concreter te maken met een simpel voorbeeld uit mijn directe omgeving. Mijn kleindochter zit op een overwegend ‘witte’ school. Zo’n twee jaar geleden, ze was toen zes jaar oud, liet een klasgenootje de kinderen in de klas weten dat zij allemaal naar de hel zouden gaan, omdat ze varkensvlees eten. Het jongetje deed een moreel gefundeerde uitspraak, die correct en wenselijk is in de geloofsgemeenschap waarin hij opgroeit, maar die niet overeenkomt met de ideeën die het merendeel van zijn klasgenootjes heeft meegekregen.

Wat vinden de pabo-studenten en leerkrachten onder de lezers van dit artikel van de morele uitspraak van het jongetje? Hoe zou u hiermee omgaan? De opmerking negeren? De discussie aangaan? Uitleggen aan de klas dat het jongetje van zijn geloof geen varkensvlees mag eten, maar dat er bijvoorbeeld ook mensen zijn die van hun geloof geen schaal- en schelpdieren mogen eten, terwijl anderen weer geen koffie en thee mogen drinken? Met de ouders van het jongetje gaan praten?

Moraal van boven

Moraal is duizenden jaren lang het domein geweest van filosofen en theologen. Zij vroegen zich vooral af hoe de mens diende te handelen. In de wereld van de monotheïstische godsdiensten kwam het kort gezegd neer op het volgende: moraal komt van boven (en is absoluut) en de mens moet zich aan de regels houden die zijn geopenbaard in de heilige geschriften (Tenach/Oude Testament, Nieuwe Testament, Koran). Vervolgens lieten vele generaties schriftgeleerden hun interpretaties los op die heilige geschriften.

In de loop van de geschiedenis veranderden de interpretaties; denk bijvoorbeeld aan een verschijnsel als slavernij. Slavernij werd verdedigd op basis van heilige geschriften, terwijl dit later werd veroordeeld op basis van diezelfde heilige geschriften. De afgelopen jaren zagen we weer hoe slavernij in de gelederen van Islamitische Staat een religieus gefundeerde herleving doormaakte.

Moraal van binnenuit

Frans de Waal

Wetenschappelijk onderzoek heeft, met name de laatste decennia, veel nieuwe inzichten in moraal opgeleverd. Dat geldt voor uiteenlopende vakgebieden als biologie, culturele antropologie, psychologie en neurowetenschappen. Het is ondoenlijk om in het kader van dit artikel in te gaan op al die ontwikkelingen. Wat ze gemeen hebben, is dat zij moraal niet zien als een verschijnsel dat van boven komt, maar vanuit de mens zelf.

Het is eveneens ondoenlijk om aan te geven op welke manier de kennis die deze wetenschappers hebben vergaard, door leerkrachten het best toegepast zou kunnen worden in de dagelijkse praktijk van het multiculturele klaslokaal.

Ter illustratie van mijn pleidooi voor meer aandacht voor moraal in het klaslokaal, zal ik mij in hoofdzaak beperken tot het werk van Frans de Waal, bioloog, primatoloog en etholoog.

Dier en moraal

De Waal staat in de traditie van Charles Darwin, die een kleine anderhalve eeuw geleden in The Descent of Man al schreef:

‘Elk dier dat met uitgesproken sociale instincten is toegerust (…) zou onvermijdelijk een moraal of geweten verwerven zodra zijn intellectuele vermogens even goed of bijna even goed ontwikkeld zouden zijn als die van de mens.’ ¹

Frans de Waal ziet de menselijke moraal als een voortzetting van het sociale gedrag van dieren. Hij ziet geen fundamentele, maar slechts graduele verschillen tussen mensen en de mensapen die hij al ruim veertig jaar bestudeert.

In een interview aan de Vlaamse zakenkrant De Tijd uit juni 2018 zegt De Waal onder meer:

‘De mens blijft maar benadrukken hoe dom andere diersoorten zijn, om daar zijn eigenwaarde uit te halen. Die houding rechtvaardigt ook onze omgang met dieren. Als je ze als gevoelloze machientjes afschildert, is het niet zo erg dat je ze in de vreselijkste omstandigheden grootbrengt om vlees te produceren. Zelf eet ik geen zoogdieren. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor, maar ik denk dat dieren meer lijden naarmate hun brein groter is.’

De pilaren van de moraal

De Waal ziet empathie of compassie en wederkerigheid of rechtvaardigheid als de belangrijkste pilaren die moraal ondersteunen. Empathie is het vermogen om je in te leven in de situatie van een ander. Mensen zijn daar over het algemeen heel goed in. Ze kunnen zich zelfs inleven in fictieve figuren in fictieve situaties en daardoor geëmotioneerd raken. De Amerikaanse tekenfilm Bambi uit 1942 kan mensen nog altijd tot tranen toe roeren. Wie kan zich het verdriet van Bambi niet voorstellen, nadat zijn moeder is doodgeschoten? De tweede pilaar, wederkerigheid (‘voor wat hoort wat’, maar ook ‘oog om oog, tand om tand’) ligt volgens De Waal aan samenwerking ten grondslag. Wederkerigheid zorgt voor vertrouwen.

Vertrouwen is essentieel in een samenleving. De Waal schrijft hierover in zijn boek Een Tijd voor Empathie:

‘Vertrouwen wordt omschreven als je verlaten op de oprechtheid of de samenwerking van de ander, of op zijn minst op de verwachting dat de ander jou geen schade zal toebrengen. Dat lijkt een voortreffelijke kenschets van de verhouding die poetsvissen met hun gastheren en gastvrouwen moeten hebben wanneer ze hun bek of kieuwen binnengaan. (…) Vertrouwen is het smeermiddel van een functionele samenleving. Als we iedereen voortdurend op de proef moesten stellen voordat we iets samen zouden doen, zouden we nooit iets bereiken. We gebruiken onze ervaringen om te beslissen wie we kunnen vertrouwen en generaliseren soms vanuit ervaring met leden van onze samenleving.’ ²

Vertrouwen speelt ook in het klaslokaal een cruciale rol. Even terug naar het voorbeeld van het zesjarige jongetje: hij heeft thuis of op straat geleerd of begrepen, dat zijn klasgenootjes (en zijn leerkracht) niet deugen. Hij kan ze niet vertrouwen, want misschien komt hij later wel in de hel terecht door met hen om te gaan. Dit werkt natuurlijk ook de andere kant op: als de klasgenootjes met het verhaal van het jongetje over hel en varkensvlees thuiskomen, dan zal dat hun ouders niet enthousiast maken om hun kind met het jongetje om te laten gaan.

In een dergelijk geval lijkt het mij persoonlijk raadzaam dat de leerkracht eens met de ouders van het jongetje gaat praten en peilt hoe zij tegen de leerlingen en leerkrachten van de betreffende school aankijken. Hebben zij bewust voor deze school gekozen en zo ja, waarom dan? Denken zij ook dat de kindjes in de klas van hun zoontje naar de hel gaan? Hebben zij het daar met hem over gehad? Of heeft hij dat idee wellicht ergens anders vandaan?

Empathie en compassie

Volgens De Waal is het sociale gedrag van mensen en mensapen duidelijk verwant aan elkaar. Mensen hebben er over het algemeen geen probleem mee om het gedrag van bijvoorbeeld een chimpansee te herkennen en het te bestempelen als nieuwsgierig, speels, agressief of angstig, maar veel mensen hebben er wel moeite mee om daarvoor termen als ‘empathie’ en ‘wederkerigheid’ te gebruiken. Meevoelen met de ander en gevoel voor rechtvaardigheid worden door velen nog altijd gezien als uniek menselijke, verheven eigenschappen, waarmee wij ons onderscheiden van het dier.

In zijn boek De Bonobo en de Tien Geboden, beschrijft De Waal de volgende voorvallen:

‘Peony [een oude chimpansee-vrouw] hijst zich hijgend en puffend het klimrek in waarin verschillende chimpansees zich voor een vlooisessie hebben verzameld. Een jongere niet-verwante vrouw komt achter haar staan en plaatst haar handen op Peony’s brede achterwerk. Ze duwt haar met moeite omhoog tot ze zich bij de anderen heeft gevoegd.

We hebben Peony ook zien opstaan om langzaam naar de kraan te lopen, wat nog een hele afstand is. Jongere chimpanseevrouwen rennen vaak voor haar uit, halen een beetje water en keren terug om het aan Peony te geven. (…) Peony deed haar mond wijd open, waarna een jonge vrouw er een straal water in spuwde.’ ³

Het is duidelijk dat deze jonge chimpansee-vrouwen in beide gevallen zagen wat het probleem van de oude Peony was. Ze konden zich verplaatsen in haar situatie, bedenken wat zij nodig had en ernaar handelen. Wat we zien is gedrag dat we bij mensen als empathisch zouden bestempelen, dus waarom doen we dat niet bij deze chimpansees?

Wederkerigheid en eerlijkheid

Bij dieren zien we ook gedrag waar termen als wederkerigheid, eerlijkheid of rechtvaardigheid op van toepassing zijn.

De Waal verzamelde gedurende een jaar gegevens over bijna zevenduizend voedseluitwisselingen bij chimpansees en het daaraan voorafgaande onderlinge gevlooi. Wie had gevlooid kreeg meer voedsel van degene die was gevlooid. Ook voor chimpansees blijkt te gelden: als jij iets doet voor mij, dan doe ik iets voor jou.

In een TEDTalk laat De Waal een filmpje zien van een experiment waarin wordt getest of kapucijnapen (die evolutionair gezien veel verder van de mens afstaan dan chimpansees en bonobo’s) gevoel voor rechtvaardigheid hebben. Het publiek barst in lachen uit om de reactie van een kapucijnaap die, voor het verrichten van dezelfde taak, een minder aantrekkelijke beloning krijgt dan zijn soortgenoot in de kooi ernaast. Zolang beide apen voor dezelfde taak dezelfde beloning krijgen, een stukje komkommer, is er niets aan de hand. Maar als de tweede in plaats daarvan een heerlijke druif krijgt, gooit de eerste zijn stukje komkommer naar de onderzoeker en begint verwoed aan de kooi te rukken.

Dezelfde proef is bij chimpansees gedaan. Daar weigerde de chimpansee die de druif kreeg aangeboden om deze aan te nemen zolang de ander geen druif kreeg. Dat is waarschijnlijk minder een kwestie van solidariteit dan van angst voor de consequenties na afloop, want chimpansees zijn net als mensen goed in het ‘aanspreken’ van de ander op zijn of haar gedrag. De Waal geeft in zijn boek Chimpanseepolitiek: Macht en seks bij mensapen, het voorbeeld van chimpanseevrouwtje Puist; zij had chimpanseemannetje Luit gesteund bij het verjagen van Nikkie, een ander chimpanseemannetje, maar die steun werd door Luit niet beantwoord:

‘Toen Nikkie even later tegen Puist imponeerde, deed zij op haar beurt een beroep op Luit. Ze stak haar hand naar hem uit, maar kreeg geen bescherming tegen Nikkies aanval. Meteen daarna keerde ze zich tegen Luit. Agressief blaffend joeg ze hem over het terrein; ze sloeg hem zelfs.’ 4

Moraal = biologie + cultuur

Lang is gedacht dat baby’s worden geboren als een onbeschreven blad. Maar net als zij worden geboren met het vermogen om een taal te leren, worden zij ook geboren met het vermogen om moreel te oordelen en te handelen. Net als kinderen van hun ouders en opvoeders een bepaalde taal leren, leren ze ook een bepaalde moraal. Ze kunnen kinderen bijvoorbeeld leren dat mensen met een andere huidskleur niet deugen, maar ook dat mensen zonder of met een ander geloof niet deugen. In het eerste geval valt dat in onze samenleving onder de noemer racisme en in het tweede geval onder vrijheid van godsdienst. Voor leerkrachten is het niet moeilijk om kinderen aan te spreken op racistische uitlatingen die zij thuis of op straat hebben geleerd. Racisme is immers strafbaar en moreel verwerpelijk.

Maar hoe kunnen we het best omgaan met morele uitspraken die een religieuze basis hebben, zoals die van dat zesjarige jongetje? Kinderen in de laagste groepen kun je in een dergelijk geval misschien voorhouden dat het niet lief is om zoiets te zeggen; tegen de kinderen in de hogere groepen dat we hier op school zo niet met elkaar omgaan. Maar het is de vraag hoeveel zoden dat aan de dijk zet: de leerkracht zal het moeten opnemen tegen een ‘moraal van boven.’

‘Each person is molded by an interaction of his environment, especially his cultural environment, with the genes that affect social behavior.’ (Edward O. Wilson)5

De basis van moraal wordt gevormd door genen die ons gedrag beïnvloeden. De weerspiegeling van dit biologische – en dus bij alle mensen aanwezige – deel van de moraal, kunnen we terugvinden in tal van bronnen die vaak duizenden jaren oud zijn. Overal op de wereld werd en wordt de essentie van de moraal op vergelijkbare wijze omschreven. Ik heb het dan over de Gulden Regel, bij ons het meest bekend in de versie ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’. In de Gulden Regel zien we de twee pilaren van de moraal terug. Empathie: je kunt je voorstellen hoe een ander het zou vinden als jij die ander iets zou aandoen. Wederkerigheid: het is niet eerlijk als je een ander aan zou doen wat je zelf niet wilt dat jou aangedaan wordt.

Moraal en taal

Ook al hebben wij die basisvereisten van de moraal meegekregen bij de geboorte, tijdens onze opvoeding krijgt onze moraal pas echt vorm; net zoals we worden geboren met het vermogen een taal te leren, maar pas daarna een bepaalde taal leren. De waardering voor de eigen taal en waardering voor de eigen moraal kunnen sterk van elkaar verschillen. Hoewel er uitzonderingen zijn te vinden, wordt in de regel een taal door de sprekers ervan nooit gezien als de enige ‘Ware taal’ op aarde. Men kan zeer aan de eigen taal gehecht zijn, maar vindt het logisch dat andere mensen aan hun eigen taal gehecht zijn. Dat ligt anders bij de aanhangers van een religie. Zij zien de eigen moraal als de ‘Ware moraal’. Zoals gezegd, zijn er uitzonderingen te vinden als het om taal gaat. Religies doen soms uitspraken over heilige talen; zo beschouwen joden Hebreeuws als de taal van Jahweh en moslims Arabisch als de taal van Allah.

Seculiere moraal in het klaslokaal

Moraal krijgt vorm en evolueert in de interactie tussen mensen, hoewel orthodoxe gelovigen daar niets van moeten hebben. Zij weten dat zij de enige juiste interpretatie van moraal hebben. Omdat hun moraal een goddelijke basis heeft, zullen zich verzetten tegen compromissen, want daarmee instemmen is ingaan tegen goddelijke richtlijnen.

Het is duidelijk dat in het multiculturele klaslokaal goddelijke richtlijnen niet kunnen gelden. In tegenstelling tot een school met een religieuze identiteit zal een openbare school zijn seculiere moraal duidelijk voor ogen moeten houden. In een multicultureel klaslokaal moeten kinderen leren samen te leven, met al hun verschillen.

Leerkrachten kunnen kinderen duidelijk maken dat iedereen onderdeel uit maakt van meerdere groepen: gezin, familie, schoolklas, school, sportvereniging, wijk, stad, land, geloofsgemeenschap, enzovoorts; dat binnen elke groep gedragsregels bestaan over hoe we met elkaar om dienen te gaan; dat wie die regels schendt, door de overige groepsleden kan worden gestraft door te worden genegeerd, besproken (‘roddel’), toegesproken, uitgelachen, of uitgestoten.

Deze repercussies komen voort uit het biologisch gefundeerde deel van moraal. Voor onze (letterlijke en figuurlijke) overleving zijn we afhankelijk van anderen. En die anderen moeten we kunnen vertrouwen. Dit zien we terug bij zowel premoderne volkeren in het Amazoneregenwoud, de woestijn van zuidwestelijk Afrika en de jungle van Nieuw-Guinea, als bij eenentwintigste-eeuwse schoolklassen waar men met iPads werkt in plaats van met schoolboeken.

Wie ‘gedwongen’ deel gaat uitmaken van een groep (zoals een schoolklas) wil zich zo snel mogelijk veilig voelen en erbij horen. Wie, zoals het zesjarige jongetje, heeft geleerd dat zijn klasgenootjes moreel verwerpelijk gedrag vertonen en na hun dood zwaar gestraft zullen worden, zal geneigd zijn afstand te houden. Het vertrouwen ontbreekt.

Leerkrachten hebben de belangrijke taak kinderen te leren elkaar te vertrouwen, hoe verschillend ze ook zijn. Zij zouden minder aandacht moeten hebben voor de culturele of religieuze verschillen en meer voor de ‘ingebakken’ overeenkomsten die het resultaat zijn van een duizenden generaties lange evolutionaire ontwikkeling (dan wel van een bovennatuurlijke eendaagse schepping of een door een ‘Schepper’ in gang gezette evolutie. Ze zouden empathie en wederkerigheid moeten stimuleren, omdat kinderen elkaar daarin kunnen herkennen.

Op scholen waar kinderen met uiteenlopende religieuze achtergronden zitten, zullen ook veel gelovige ouders begrip kunnen opbrengen voor deze seculiere aanpak door de leerkracht als het om moraal gaat. De gelovige ouders weten namelijk dat ‘andersgelovige’ ouders het verkeerd zien; ze zullen er daarom niet op zitten te wachten dat de leerkracht al die dwalende, religieuze overtuigingen serieus neemt en er aandacht aan besteedt. De Gulden Regel zullen zij daarnaast herkennen uit hun eigen geloof.

Tot slot

Aanstaande boek over moraal van Martin Harlaar: ‘De Getemde Mens’.

Hoe willen we dat kinderen nu, in het multiculturele klaslokaal, en later, in de multiculturele vervolgopleiding en de multiculturele samenleving, met elkaar omgaan? Willen alle ouders eigenlijk wel dat hun kinderen met ‘die andere’ kinderen omgaan? Wat leren zij hun kinderen daarover? Roanne van Voorst laat in haar boek Jullie Zijn Anders Als Ons: Jong en Allochtoon in Nederland, een docente in het voortgezet onderwijs aan het woord die geregeld getuige is van de onderlinge sociale controle:

‘Jongeren onderling wijzen elkaar op fouten: als je zo praat, ben je geen goede moslim. Dat maakt het voor allochtone jongeren in Nederland lastig om uit de band te springen of om je eigen pad binnen de islam te bewandelen. Ik herinner me een leerlinge die flirtte met een Nederlandse jongen. Dat werd bestraft: ze werd werkelijk verketterd door haar klasgenoten.’ 6

In hetzelfde boek komen ook jongeren met een christelijke achtergrond aan het woord. Een Molukse jongen vertelt:

‘Als kind leer je dat je Moluks bent, anders dan de Nederlanders, want je komt van de Molukken. Je bekijkt er foto’s van, je hoort er verhalen over… De Molukken worden dan een thuis waar je nooit bent geweest. Dat is een typisch gevoel van Moluks zijn.’ 7

Een Moluks meisje zegt:

‘Je moet tegen een Molukker écht niet zeggen: “Hé. Nederlander!” Dat vindt hij niet leuk. Dan worden we kwaad of voelen ons ongemakkelijk. We zijn namelijk echt compleet anders dan Nederlandse jongeren. We voelen ons buitenlanders. Vooral binnen de wijken wordt erop gehamerd: je bent een Molukker, blijf je ook zo gedragen!’ 8

Mogen leerkrachten ingaan op de moraal die hun leerlingen van huis meebrengen? Of moeten ze er misschien zelfs tegenin gaan? Het is aan seculiere scholen en leerkrachten om daar een helder antwoord op te formuleren. En het is aan de pabo’s om ervoor te zorgen dat moraal voor hun studenten niet langer een vaag en stoffig begrip is, maar een terrein waar diverse wetenschappen belangrijke nieuwe inzichten hebben voortgebracht en waarmee leerkrachten hun voordeel kunnen doen.

In dit artikel heb ik stilgestaan bij Frans de Waal, die liet zien welke biologische fundamenten er aan de basis van onze moraal liggen en dat die fundamenten niet alleen bij mensen bestaan, maar ook bij mensapen aanwezig zijn. Er zijn echter veel meer wetenschappers die de kennis over onze moraal hebben vergroot. Ik noem er slechts enkelen: bioloog Edward O. Wilson (1929) die in zijn boek On Human Nature (1978) het idee uitwerkt dat de menselijke natuur in de kern een biologisch fenomeen is, cultureel antropoloog Christopher Boehm (1931) die inzicht verschaft in hoe moraal zich in de geschiedenis van de mens heeft ontwikkeld, neurowetenschapper Antonio Damasio (1944) die het onlosmakelijke verband aantoont tussen het emoties en het nemen van (morele) beslissingen, neuro-endocrinoloog Robert Sapolsky (1957) die in zijn boek Behave de biologische achtergronden van ons gedrag uitlegt, moraalpsycholoog Jonathan Haidt (1963) die de Moral Foundations Theory heeft ontwikkeld en psycholoog Paul Bloom (1963) die de oorsprong van moraal bij baby’s heeft onderzocht.

Hoe het verder is gegaan met dat zesjarige jongetje? Toen hij zeven was, weigerde hij in een taallesje het woord ‘kerk’ te gebruiken. Van de leerkracht mocht hij toen ‘moskee’ schrijven. Daarmee was het probleem opgelost.

Of niet?

1 Charles Darwin, 1871; geciteerd in Frans de Waal: Een tijd voor empathie (2017, 15e druk, p.19)
2 Frans de Waal, Een tijd voor empathie: Wat de natuur ons leert over een betere samenleving (2017, 15e druk, p.187)
3 Frans de Waal, De bonobo en de tien geboden: Moraal is ouder dan de mens (2013 5e druk, p. 14-15)
4 Frans de Waal, Chimpanseepolitiek: Macht en seks bij mensapen (1982, p.2015)
5 E.O Wilson, On Human Nature (1978, p.18)
6 Roanne van Voorst, Jullie zijn anders als ons: Jong en allochtoon in Nederland (2010, p.98-99)
7 Roanne van Voorst, Jullie zijn anders als ons: Jong en allochtoon in Nederland (2010, p.188)
8 Roanne van Voorst, Jullie zijn anders als ons: Jong en allochtoon in Nederland (2010, p.188-189)