Ook al vindt Jan Bockma al jarenlang dat Zwarte Piet aangepast moet worden, hij heeft steeds minder zin zich erover uit te laten. De discussie wordt volgens hem vooral een manier om groepsloyaliteit te betuigen. ‘Het laatste wat ik wil is een mening uiten omdat ik die groepsdruk voel. Ik wil mijn mening uiten omdat ik zélf iets vind, niet om ritueel te bewijzen dat ik de ‘juiste’ mening heb.’ 

De al behoorlijk ontspoorde Zwarte Piet-discussie heeft dit weekend weer een nieuw dieptepunt bereikt. Doorgewinterde hooligans die tijdens de intocht van Sinterklaas eieren gooien naar anti-Piet-demonstranten, dreigementen, Hitlergroeten – wat een nationaal feest zou moeten zijn, is een nationaal podium geworden waarop het slechtste van onze samenleving tentoon wordt gesteld.

Aanpassen, waarom ook niet?

Zelf had ik geen uitgesproken mening over Zwarte Piet, maar toen in 2011 tijdens de intocht van Sinterklaas Quinsy Gario, Jerry Afriye en Steffi Weber met T-shirts met de leus ‘Zwarte Piet is racisme’ werden gearresteerd, kostte het me weinig moeite begrip voor hun punt op te brengen. Een aantal jaar eerder had ik al eens tegen studiegenoten laten ontvallen dat ik het me wel voor kon stellen dat de zin ‘Ook al ben ik zwart als roet, ik meen het wel goed’ niet zo leuk is als je zwart bent. Dit schoot bij een hoogblonde studiegenote in het verkeerde keelgat: ‘Het zegt vooral iets over jezelf als je zo denkt’, zei ze geïrriteerd. Een van haar beste vriendinnen had een zwarte huidskleur; zij mompelde nauwelijks hoorbaar en enigszins aangeslagen: ‘Misschien omdat je het zelf niet meemaakt.’

Het gesprek was bij mij snel weer naar de achtergrond verdwenen en bracht niet genoeg verandering teweeg voor een persoonlijke boycot van Zwarte Piet. Maar toen de discussie in 2011 nationaal losbarstte, voelde ik eigenlijk geen weerstand tegen het idee dat het figuur aangepast zou kunnen worden. Of de intentie van Zwarte Piet oorspronkelijk nou wel of niet racistisch was, is leuk voor amateurhistorici, maar voor mij volkomen irrelevant. Voortschrijdend inzicht, een groep binnen de samenleving die zich niet prettig voelt bij de associaties die Piet oproept, kinderen die toch geen verschil zien tussen een Zwarte of een Roetveegpiet – waarom niet aanpassen?

Dat betekent niet dat ik me schuldig voel over de warme herinneringen die ik zelf aan Zwarte Piet heb. Ongetwijfeld heb ik die ook aan andere zaken – tekenfilms, strips, snoep, frisdrank – die ik niet te veel met de blik van een volwassene moet gaan beoordelen, anders kan ik m’n hele kindertijd wel problematiseren. Terugkijken op het verleden is altijd lastig. Nog niet zo lang geleden stonden leraren rokend voor de klas en rookten zelfs dokters in hun spreekkamers. Mijn eerste trekje van een sigaret nam ik als 12-jarige openlijk op een schoolfeest in de kantine van de middelbare school, want dat kon in 1994 nog gewoon.

Tijden veranderen. Gelukkig maar.

Zelfstandig een standpunt innemen

De ontwikkelingen rond mensen als Gario en Afriye volgde ik eigenlijk niet zo. Door hun protest werd ik er weer even aan herinnerd dat Zwarte Piet niet voor iedereen leuk was, maar zij waren niet degenen die de knop voor me hadden omgezet. Het zaadje daarvoor was toch al jaren eerder geplant, onder andere door de discussie met mijn voormalige studiegenoten. Toen filmpjes uit een nog verder verleden opdoken, zoals het statement van Gerda Havertong in Sesamstraat uit 1987 – misschien was dat zaadje toen al heel onbewust geplant? – en Paul de Leeuw die door nota bene de Spice Girls over Zwarte Piet ter verantwoording werd geroepen, werd ik gesterkt in mijn mening.

Mijn standpunt over aanpassing van Zwarte Piet is dus niet door specifieke demonstranten tot stand gekomen, maar door verschillende observaties door de jaren heen. Ik vind mezelf dan ook groot en eigenwijs genoeg om een eigen mening erover te vormen en daarin ben ik vast niet de enige. Maar zelfstandig een standpunt innemen lijkt niet meer mogelijk. De nationale reactie doet tot nu toe vooral denken aan de irritatie die ik bij m’n hoogblonde studiegenote voelde, vermenigvuldigd met een factor 1000. Wie voor aanpassing van Zwarte Piet is, zou eigenlijk ‘zélf’ de racist zijn, of zou zich dat ‘aan’ hebben laten ‘praten’ door de demonstranten: een kleine minderheid die mensen als ik met een onterecht schuldgevoel hebben opgezadeld – en met onze ‘weg-met-ons-mentaliteit’ gaan we daar nog in mee ook.

Daarbij worden de slechtste voorbeelden van anti-Piet-demonstranten neergezet als exemplarisch voor de hele beweging. Demonstranten die openstaan voor debat worden op één hoop gegooid met complete idioten die fantaseren over ‘kinderen onder de botsplinters’.

Politieke en persoonlijke vetes

Maar zelfstandig een standpunt innemen is ook aan de andere kant niet meer mogelijk. Zelf vind ik een demonstratie bij kleine kinderen niet prettig, maar wel iets dat we te accepteren hebben in een democratie. De intochten worden met belastinggeld gefinancierd en vinden plaats in de openbare ruimte; het is dan belangrijk dat tegengeluid mogelijk is en dat is niet ergens achteraf waar niemand het merkt. Leuk is anders, maar soms is de manier waarop een democratie werkt nu eenmaal niet leuk.

Toch lijkt het me dat je het ouders niet écht kwalijk kunt nemen dat ze er moeite mee hebben dat hun kinderen bij een Sinterklaasintocht geconfronteerd worden met de boosheid van volwassenen. Voor een luide groep tegenstanders van Zwarte Piet is dat echter al verdacht, net als dat je, om welke reden dan ook, vindt dat Piet níet aangepast moet worden. En hoewel diezelfde mensen het vanzelfsprekend vinden dat je niet elke tegenstander van Zwarte Piet gelijk kunt stellen aan een activist die fantaseert over een aanslag op Sinterklaas, ontbreekt die logica als een groep hooligans en neonazi’s zich als pro-Piet manifesteert: dan moet iedereen die nu nog geen kant gekozen heeft dat maar snel doen, anders zijn ze medeplichtig.

De discussie wordt niet meer gevoerd om er samen uit te komen, maar is een platform geworden om persoonlijke en politieke vetes uit te vechten. Wie pleit voor een ‘redelijk midden’ wordt afgebrand; wie pleit voor aanpassing wordt weggezet als landverrader; zelfs als je je duidelijk uitspreekt tégen de racisten, trekken politieke tegenstanders alsnog openlijk in twijfel of je dat wel zou doen.

Op deze manier verwordt de discussie vooral tot een manier om loyaliteit te bewijzen aan een bepaalde groep. Wie niet snel genoeg laat zien aan de ene of aan de andere kant te staan, wordt geëxcommuniceerd. Bij mij leidt dit ertoe dat ik steeds minder zin heb om wat over deze discussie te zeggen. Het laatste wat ik wil is een mening uiten omdat ik die groepsdruk voel. Ik wil mijn mening uiten omdat ik zélf iets vind, niet om ritueel te bewijzen dat ik de ‘juiste’ mening heb.

Ik weiger namelijk loyaal zijn aan de ene of de andere groep. Mijn loyaliteit behoort toe aan een land waarin we zorgen dat een kinderfeest voor álle kinderen, ongeacht hun huidskleur, een feest is. Maar ook aan een land waarin we eerlijk met elkaar van mening kunnen verschillen over hoe we dat vormgeven.

Dat laatste wordt behoorlijk verpest door mensen die geen interesse hebben in een eerlijk meningsverschil. Zij overstemmen elke mogelijke harmonie met hun toondove gekrijs: ‘Vol verachting klopt ons hart’.

Afbeelding: MrsBrown, Pixabay