In het Nederland van de jaren ’60 en ‘70 waarin ik als klein Surinaams-joods knulletje opgroeide, was racisme een veelvoorkomend, openlijk verschijnsel. In sommige buurten durfde ik niet eens te komen.

Ook in mijn directe leefomgeving in Amsterdam vond zo nu en dan een racistisch incidentje plaats. Zo mocht ik niet bij een van m’n vriendjes spelen omdat zijn moeder ‘mij niet kende’. Of werd ik spontaan op straat uitgescholden, al was dit door types die in de hele buurt sowieso al als ‘rare zonderlinge snuiters’ werden beschouwd en die vrijwel door iedereen werden vermeden.

Deze incidentjes waaiden gauw weer over, want de buurtbewoners konden het over het algemeen goed met elkaar vinden. Vrijwel al mijn klasgenootjes van de lagere school woonden in de omgeving. Hun ouders en andere oudere bewoners noem ik tot op de dag van vandaag ome Piet, tante Annie, ome Rinus of tante Alie. Ik heb mijn omgeving dus altijd als harmonieus ervaren.

Mijn lagere-schoolperiode ging naadloos over in het middelbare-schooltijdperk. De jongeren die de Mavo Amstelland bezochten, waren een afspiegeling van mijn buurtje. Vrijwel iedereen had een oudere broer of zus op die school zitten. Zo groeide ik op in een vrijwel ‘witte’ wereld. Later veranderde de buurt weliswaar van samenstelling, maar de zogeheten ‘nieuwkomers’ maakten zich de omgangscultuur al gauw eigen. De sfeer bleef nagenoeg hetzelfde.

Na mijn mavoperiode bezocht ik Het Amsterdams Lyceum. Een fijne school. Op het ‘Amsterdams’ maakte ik kennis met Eddy Terstall, een hippiekind. Hij kwam uit de Jordaan. Dat kon je horen aan de ‘dikke’ manier waarop hij de letter ‘L’ uitsprak: achter in de mond. Eddy was toen al een vrijdenker die niet veel op had met geloof. Ik had dat, vanwege mijn joods-katholieke roots, weer wél. We konden het niettemin goed met elkaar vinden.

Om tegendraads te zijn – in die tijd was zo’n beetje iedereen pro-VS – vormden Eddy, enkele andere leerlingen en ik het zogenaamde ‘Politburo van het Amsterdams Lyceum’. Geheel volgens de ‘leer’ spraken we elkaar aan met ‘kameraad’. Ook docenten moesten het ontgelden: die werden ‘kameraad leraar’ of ‘kameraad rector’ genoemd. We waren hier best consequent in. Zo af en toe ‘arresteerden’ we medeleerlingen, veelal brugklassers, op verdenking van antirevolutionaire én subversieve gedachten, uitingen of activiteiten. Gewoon, lekker tegendraads zijn. Vreemd genoeg vonden onze medeleerlingen onze ‘acties’ best leuk.

Zo waren er ook andere schoolgenoten van diverse komaf met wie ik goed omging. Afkomst maakte niet uit, want we hadden gemeenschappelijke zaken die we deelden: we hielden van dezelfde muziek, films, uitgaansgelegenheden en sport. Wij vormden een multi-etnisch gezelschap, waar ik mij prima in thuis voelde.

De ouders van mijn schoolgenoten waren veelal kunstenaars, artiesten, artsen en vrije-beroepsbeoefenaars. Vrijdenkers: belezen en bereisde mensen met een onafhankelijke kijk op de maatschappij. Tijdens visites en vakanties heb ik met hen talloze gesprekken gevoerd over de ‘Vrije Geest’ en alles wat daarmee samenhangt, los van groepsdenken én strevend naar harmonie met jezelf. Als een spons zoog ik de materie op.

In het uitgaansleven maakte ik kennis met Marokkaanse en Turkse jongens, allen met hetzelfde onvervalste plat Amsterdams accent. Rachid noemde zich ‘Richard’, Mehmet was ‘Henry’, Rami werd ‘Ron’ en Achmed en Abdelsalam waren gewoon ‘Aggie en Appie’. Vrije jongens, die lak hadden aan verstikkende religieuze conventies. Ik heb ze jammer genoeg nooit gevraagd waarom zij zich een Nederlandse naam toe-eigenden. Het kwam simpelweg niet in me op. Opvallend was wel dat ze in het uitgaansleven als ‘Hollandse jongens’ werden geaccepteerd.

What’s in a name?, vroeg Shakespeare zich al af.

Iedereen wordt gevormd door zijn omgeving, dus ook ik. Deze periode heeft mij gemaakt tot een vrijdenker en seculiere non-conformist, die overal tussen past maar nergens bij hoort. Al is dat in andere omgevingen soms lastig. Dan word ik voor ‘bounty’ uitgemaakt. Dan wordt me verteld dat ik ‘denk dat ik wit ben’ en dat ik ‘alleen maar zeg wat de witte man wil horen’.

Ach, soms zeg ik wat de zwarte man niet wil horen. Soms zeg ik wat de witte man niet wil horen. Dat kun je je veroorloven, als je besloten hebt nergens écht bij te horen – behalve dan bij het menselijk ras.