In toenemende mate worden links-liberalen die zich verzetten tegen de opkomst van linkse identiteitspolitiek, door links-identitairen op minachtende wijze verweten dat ze ‘rechts’ zouden zijn en dat dan maar beter kunnen toegeven.

Nee. Want dat is niet waar.  

Natuurlijk zijn er mensen die vol blijven houden dat ze ‘links’ zijn terwijl ze een conservatief economisch en sociaal beleid steunen. Deze mensen zijn in de war of oneerlijk. Maar steeds vaker is het verwijt gericht aan echte links-liberalen die vóór progressieve inkomstenbelasting, vóór een sterk sociaal vangnet, vóór een stevige basisverzekering, vóór de gelijkwaardigheid van gender, ras en LGBT, en vóór reproductieve rechten zijn.

Links
Om dit te begrijpen is het nodig om te kijken naar de huidige verdeling aan de linkerkant van het politieke spectrum. Terwijl alle linkse mensen een economisch beleid steunen dat welvaart verdeelt, ongelijkheid vermindert en opkomt voor de minst draagkrachtigen in de samenleving, is de diepste en langste kloof die tussen de socialisten die streven naar eigenaarschap van de productiemiddelen – en daarmee de controle bij de werknemers willen leggen – en de sociaaldemocraten die streven naar de verdeling van welvaart binnen een gereguleerd kapitalistisch systeem in de context van een liberale democratie. Deze twee stromingen zou je ruwweg ‘radicaal links’ en ‘liberaal links’ kunnen noemen. Deze verschillende principes liggen ook in lijn met andere sociale vraagstukken als het feminisme (radicaal feminisme vs. liberaal feminisme).

Er is spanning tussen deze groepen, waarbij de links-radicalen zeggen dat de links-liberalen ‘slappelingen met halve maatregelen’ zijn en de links-liberalen zeggen dat de links-radicalen ‘utopische waandenkers’ zijn.

Niettemin waren dit nog overzichtelijke onenigheden over begrijpelijke zaken waarbij redelijke dialoog en compromis mogelijk waren. Dit mede dankzij het feit dat beide groepen geloofden in een objectieve waarheid die bereikt kan worden door bewijs en rede, met taal als instrument voor dialoog.

De laatste tijd zien we de opkomst van ‘links-identitairen’ die heel anders denken over objectieve waarheid, bewijs, rede en taal, en die de samenleving zien als ‘gestructureerd door een discours’ (manier om over dingen te praten) dat systemen van macht en privilege bestendigt. Daarbij is de term ‘radicaal’ gepast, maar ze hebben weinig gemeen met het oudere radicaal links. Zelden worden economische (of klasse) thema’s op samenhangende wijze aangekaart; liever leggen ze de primaire focus op identiteitsgroepen zoals ras, gender en seksualiteit. Niet alleen zijn zaken hierdoor veel rommeliger geworden, het heeft communicatie en compromissen sluiten veel lastiger gemaakt. Dit zijn de mensen die herhaaldelijk aandringen dat links-liberalen eigenlijk ‘rechts’ zijn.

Omdat de links-liberalen binnen links de grote meerderheid vormen, en het meest gematigde en redelijke element van links zijn – en daarmee de meest waarschijnlijke partner in het politieke midden – is het tijd dat we bij deze beschuldiging door ‘identitair links’ een streep in het zand trekken: Wij zijn links en we laten de identitairen niet langer bepalen wie wij zijn.

Liberalisme
Liberalisme is een breed concept dat waarde hecht aan vrijheid (zowel van markten als individuen), aan menselijkheid in de zin van het steunen van mensen die zichzelf niet kunnen onderhouden en aan gelijke kansen waar het gaat om het wegnemen van belemmeringen voor groepen om deze gelijke kansen te kunnen benutten. Liberalen geloven in sociale vooruitgang en dat dit kan worden bereikt door het verfijnen van de bovengenoemde principes.

Sommige liberalen, vooral de klassiek-liberalen, kunnen bepaalde waarden delen met conservatieven (en zichzelf ook als conservatief identificeren), maar hun liberalisme benadrukt de vrijheid van markten en individuen. Hierbij zoeken ze voornamelijk naar minimalisering van de rol van de overheid bij zaken als bijstand voor werklozen, ouderen, mensen met een beperking, en arme gezinnen (met bijvoorbeeld één ouder). Daarnaast zijn ze vaak tegen nationaal georganiseerde gezondheidszorg en initiatieven die bedoeld zijn om de representatie van groepen in bepaalde werkvelden te bevorderen. Dit is omdat ze geloven dat dit de vrijheid, autonomie en individuele verantwoordelijkheid beperkt en dat het uiteindelijk onproductief is voor sociale vooruitgang. In de Verenigde Staten kunnen ze bijvoorbeeld een tegenstander van strengere wapenwetgeving zijn en een voorstander van het thuisonderwijs zijn. Ook is het waarschijnlijk dat ze een kleinere overheid willen, minder regulering van bedrijven en lagere belastingen.

Links-liberalen zijn het daarom vaak oneens met klassiek-liberalen omdat wij gemotiveerd worden door waarden die links zijn. Liberaler dan socialisten, steunen we de vrijheid van markten, maar met een sterke focus op het steunen van de zwakkeren in de samenleving. Om die reden willen we ook een zekere regulering om te voorkomen dat de meest kwetsbaren in de samenleving uitgebuit worden. Deze focus op de meest kwetsbaren is essentieel en is historisch ontstaan voor de werkende klasse maar ook, wanneer dat nodig was, voor vrouwen en voor etnische en seksuele minderheden.

Links-liberalen steunen de vrijheid van het individu en geloven tevens dat mensen steun nodig hebben als ze in deze vrijheid beperkt worden door sociale of culturele omstandigheden. Ze trekken vaak de grens bij positieve discriminatie in geval van sollicitaties (want onliberaal), maar steunen bijvoorbeeld wel initiatieven om specifieke ongeletterdheid van jongens aan te pakken, het stimuleren van vrouwen in technische beroepen, de voorziening van taalcursussen voor immigranten en positieve rolmodellen of maatregelen om onderwijs te stimuleren in achterstandswijken of -regio’s.

Ook steunen zij monitoring van aannamebeleid voor het verzamelen van (solide) bewijs voor racisme en genderdiscriminatie en monitoring van de kwaliteit van religieus onderwijs (in het Verenigd Koninkrijk) omdat het de vooruitzichten van kinderen uit religieuze minderheden kan beperken.

Links-liberalen staan achter hogere belastingen voor grootverdieners om gezondheidszorg aan iedereen te kunnen bekostigen en om sociale uitkeringen te bieden voor werklozen, ouderen, eenouder- of arme gezinnen. Wij wijzen de socialisten erop – die ons verwijten dat we een gemengde economie met een stevige kapitalistische motor accepteren – dat we door mensen in staat te stellen om zeer rijk te kunnen worden, deze zaken uiteindelijk ook beter kunnen financieren.

We wijzen ‘rechts’ erop – dat ons het aanwakkeren van afhankelijkheid verwijt – dat we misbruik niet tolereren maar liever de kaders aanscherpen om frauderen lastiger te maken of te signaleren dan dat we het nog lastiger maken voor mensen die juist steun nodig hebben. Met het mes op de keel hebben links-liberalen liever dat sommigen misbruik kunnen maken, dan dat er iemand door de mazen van het vangnet valt. We hebben weinig op met slechte regulering van vuurwapens of met het ‘recht’ van ouders om hun kinderen goed onderwijs of gezondheidszorg te ontzeggen, omdat dit ten koste gaat van mens en welzijn. Kortom, we functioneren op de morele basis van ‘care/harm’ van de liberaal en op de economische/sociale basis van links. We zijn links. We zijn liberaal links. En omdat we liberaal zijn, gaan we graag het gesprek aan om ook andere perspectieven te blijven verkennen.

Identitair Links
Het type links dat blijft beweren dat we ‘rechts’ zijn (los van de links-radicalen die dat altijd al vonden omdat we niet socialistisch genoeg waren) zijn relatief nieuwe ‘identitair linkse’ mensen. Ze zijn niet liberaal. Ze zijn een product van een intellectuele verschuiving die ontstond in de jaren zestig toen linkse intellectuelen teleurgesteld raakten in het marxisme, en het concept van postmodernisme ontwikkelden.

Deze denkwijze zag de samenleving als een systeem van hiërarchische machtsstructuren en betoogde dat kennis eigenlijk een construct van de machthebbers was, bestendigd door een vorm van taal en rede die primair in het belang van dominante groepen in de samenleving was geconstrueerd. Zo tegen de jaren negentig was deze denkwijze ingebed in verschillende academische vakgebieden zoals feminisme, postkolonialisme, en ‘queer- en critical race’-theorie. Intussen werd het ook steeds meer expliciet politiek-activistisch. Concepten als ‘intersectionaliteit’, ‘toxische mannelijkheid’ en ‘witte fragiliteit’  werden onderdeel van een vorm van ‘social justice’ activisme. Linkse academici en activisten zagen identiteitspolitiek als een vorm van emancipatie en waren kritisch op het links-liberalisme dat juist tot doel had identiteitscategorieën sociaal irrelevant te maken. Ze beschouwden liberalisme als onderdeel van een verouderd en ontoereikend modernistisch systeem dat was gemaakt door heteroseksuele, witte, rijke, westerse mannen en hierdoor dus als systeem alleen maar in het belang stond van heteroseksuele, witte, rijke, westerse mannen. En dat vinden ze nog steeds.

Ze geloven dit, ondanks het feit dat de burgerrechtenbeweging, de liberale tweede-golf feministen en de Gay Pride alle onderdeel van datzelfde liberalisme waren. Ze geloven dit, ondanks het feit dat de publieke steun voor antidiscriminatiewetten en voor het decriminaliseren van homoseksualiteit in de jaren zestig en zeventig enorm was, en ondanks de komst van effectieve en legale anticonceptie en reproductieve vrijheid. Ondanks de wettelijke gelijkheid en veel sociale vooruitgang, de afname van vooroordelen, de grote toename van vrouwen, etnische en seksuele minderheden in banen en machtsposities en het perspectief van continue vooruitgang, zien zij vooral racisme, seksisme, homofobie en transfobie door een intense focus op taal, die zij waarnemen door een ideologisch problematiserende lens. Denk aan de focus op ‘micro-agressies’, ‘mansplaining’ en ‘verbaal geweld’.

Dit identitaire links deelt enkele kernprincipes met links in de zin dat ze de meest kwetsbaren in de samenleving willen steunen, maar zijn geneigd  de armste mensen te negeren als ze niet de juiste identiteitskarakteristieken hebben: vrouw, etnische minderheid, LGBT. De witte, mannelijke arbeider hoeft niet op sympathie te rekenen en ze ontkennen stelselmatig dat witte, heteroseksuele mannen überhaupt ergens met barrières te maken kunnen krijgen. Het is bijna zeker dat dit aan de reactionaire ruk naar rechts heeft bijgedragen.

Linkse identitairen delen ook de ‘care/harm’ basis van liberalisme met de motivatie om ongelijkheid tegen te gaan en ze prioriteren groepen die als gemarginaliseerd worden gezien, maar dit gaat gepaard met een woede richting groepen die worden aangemerkt als ‘geprivilegieerd’. Het resultaat is een zeer onliberale praktijk waarbij de waarde van individuen wordt uitgedrukt door hun gender, ras of seksualiteit. Omdat de linkse identitairen geloven dat macht in de samenleving een construct is van taal, neigen ze naar autoritaire bedilzucht over welke taal wel en niet gebruikt kan worden en welke ideeën wel of niet besproken kunnen worden.

Deze neiging tot controle staat in scherp contrast met de traditionele liberale gedachte van de ‘marktplaats van ideeën’. Het concept van deze marktplaats kent ook een hoge waarde toe aan de kracht van taal, in de zin dat ideeën door iedereen kunnen worden opgeworpen en door iedereen kunnen worden bediscussieerd; dat, op deze manier, de beste ideeën boven water komen; en dat dit  opmerkelijk succesvol blijkt.

Dit werkt echter niet in een postmodern wereldbeeld want dat houdt vast aan een ‘standpunt epistemologie’ die zegt dat verschillende groepen verschillende kennis hebben die even valide is, maar dat de ideeën van dominante groepen ten onrechte meer geloofwaardigheid krijgen dan die van gemarginaliseerde groepen, en die daarom eist dat dominante groepen moeten zwijgen en luisteren (zie feministische epistemologie).

Het nieuwe conflict
We zijn nu in de situatie gekomen waarin drie stromingen van links – radicaal, liberaal en identitair – in een onproductieve impasse zitten. De radicalen verzetten zich tegen de identitairen die ze zien als een burgerlijke elite met academische wortels en die de werkende klasse en hun betekenis van ‘links’ volledig de rug toe hebben gekeerd. Ze staan ook op gespannen voet met de liberalen vanwege hun afwezige steun voor socialisme. De liberalen verzetten zich tegen de identitairen die ze zien als zeer onliberaal en als een bedreiging voor de decennialange ontwikkeling richting individuele vrijheid en gelijke kansen ongeacht ras, gender en seksualiteit. De liberalen vinden de radicalen weinig behulpzaam in de steun voor liberalisme. De identitairen negeren de radicalen behalve in de vorm van radicale feministische afwijzing van trans-identiteit die ze beschouwen als ‘trans-vrouwenhaat’, maar bewijzen wel rare lippendienst aan anti-kapitalisme (dat overigens weinig indruk op de radicalen maakt). De identitairen bewaren hun meeste toorn voor de liberalen die zich bezighouden met dezelfde sociale en ethische vraagstukken.

Links-liberalen liggen onder het grootste vuur van de identitaire woede omdat we de postmoderne afwijzing van objectieve waarheid niet steunen, evenals het wetenschap-ontkennende culturele constructivisme. Belangrijker nog, we staan niet achter de gedachte dat het waardevol is om mensen als leden van groepen te zien binnen een hiërarchie die bepaalt wie over wat mag spreken in een soort groteske remake van een kastesysteem of middeleeuws feodalisme. We accepteren niet dat het liberalisme – dat voor zoveel sociale vooruitgang heeft gezorgd voor voorheen gemarginaliseerde groepen in de samenleving – onderdeel is van een witte, westerse, patriarchale, en cis/hetero normatief systeem van onderdrukking. Om de simpele reden dat we mensen niet beoordelen op basis van hun ras, gender of seksualiteit. We zijn erg sceptisch over de gedachte dat we überhaupt leven in een wit-superieur, homofoob patriarchaat. Dit wordt dan op een of andere manier weer uitgelegd als een bekrachtiging ervan. Ook al erkennen we bijna altijd dat racisme, seksisme en homofobie nog steeds bestaan, en hebben we de principes en de wil om dit te bestrijden. Hiervoor worden we aangemerkt als ‘rechts’.

Erger nog, links-liberalen beschouwen rechts-liberalen niet als onverbeterlijke vijanden, maar sluiten allianties tegen onliberaal extremisme met diegenen die de liberale principes van vrijheid en gelijke kansen steunen, wáár ze zich ook bevinden op het politieke spectrum. We willen nog steeds dat linkse politieke partijen winnen en linkse politiek ingevoerd wordt en rechtse politiek niet, maar dit eist niet dat we iedereen aan de rechterkant immorele en slechte spelers vinden die niks bij te dragen hebben. Hiervoor worden we aangemerkt als ‘rechts’.

We zijn niet rechts.

De oplossing
Sommige links-liberalen ontkennen dat links-identitairen links zijn, maar enig begrip van de oorsprong en ontwikkeling van hun denkwijze wijst erop dat dit wensdenken is. Hoewel ze sommige denkbeelden over gender en raciale segregatie, en een neiging naar controle en censuur delen met  extreem rechts, is de hoefijzertheorie slechts schijn: deze twee groepen komen van zeer verschillende vertrekpunten en werken ook zeer verschillend. Identitair links komt vanuit een intellectuele ontwikkeling bij links en links moet hier verantwoordelijkheid voor nemen en het oplossen.

De enige manier voor links-liberalen om dit probleem op te lossen is om hiermee de strijd aan te gaan. Veel te lang hebben te veel van ons het probleem ontkend of geminimaliseerd vanuit de perceptie van de noodzaak om solidair te blijven tegen de opkomst van populistisch rechts, alt-rechts en extreem rechts. Anderen hebben het probleem laten liggen, simpelweg omdat ze de tegen-intuïtieve ideologische kern niet begrijpen en denken dat iedereen die zoekt naar gelijkheid van ras, gender en LGBT een bondgenoot is, zelfs als ze doorslaan in hun ijver. Anderen zijn bang om racist, seksist of homofoob genoemd te worden of om in de rechtse hoek gelabeld te worden, hetgeen precies is wat er gebeurt. Weer anderen zijn zo vervreemd geraakt van links door de continue verwijten dat ze oprecht rechts zijn geworden of daar tenminste meer welkom zijn. Deze laatste groep is hard veroordeeld door zelfgenoegzaam gekraai dat ze sowieso niet links genoeg waren. Dat kan natuurlijk. Maar zelfs als het zo is moeten we ze terugwinnen als we überhaupt een verkiezing willen winnen en daadwerkelijk beleid willen maken om de meest kwetsbaren te helpen. Dit is veel belangrijker dan het pronken met je eigen zogenaamde politieke puurheid.

Er is ook een probleem inherent aan liberalisme: een overdaad aan tolerantie, een drang naar compromis en een verlangen niets aan anderen op te leggen. Omdat links-liberaal de minst radicale is, de minst autoritaire stroming binnen links, is het kwetsbaar voor radicale schreeuwers die voor weifelaars wel even willen uitleggen wat links is. Deze luide stemmen ondermijnen links. Omdat links-liberaal het meest open is voor andere ideeën, is het kwetsbaar voor de schijn van inconsistentie. Doordat links-liberalen tolerant zijn voor ideeën waar ze niet mee eens zijn, behalve als ze aan anderen worden opgedrongen, kan dit worden verward met onzekerheid. Dit is een vergissing. De principes van liberalisme, hoewel diffuus, zijn sterk en consistent genoeg om dominant te worden in de westerse wereld. Ze liggen zelfs zo voor de hand dat de meerderheid de noodzaak negeert om het voor deze principes op te nemen (James Lindsay en ik schreven er hier al eerder over).

Liberaal-links wordt gehinderd in het verzet tegen identitair links, door misplaatste loyaliteit, door onbegrip, door ontkenning, angst, wanhoop, inschikkelijkheid en teveel tolerantie. Dit geeft de indruk dat er slechts enkelen van ons over zijn en dat links tegenwoordig wordt bepaald door identitaire, autoritaire ideologen. Dit geeft kracht aan rechts.

We moeten meer zichtbaar zijn, meer samenhang en moed tonen. We moeten accepteren dat dit probleem bestaat, begrijpen hoe het werkt en ons er kalm, beschaafd en redelijk tegen uitspreken. We moeten het risico accepteren dat we racist, seksist en homofoob genoemd worden, ondanks het feit dat wij degenen zijn die ons verzetten tegen het beoordelen van individuen op basis van ras, gender en seksualiteit. We moeten onthouden hoe we ons standpunt verwoorden en niet doen alsof het vanzelf spreekt. Hoe meer van ons dit doen, hoe makkelijker het wordt voor anderen om zich aan te sluiten. Op deze manier winnen we links terug, winnen we publiek vertrouwen terug, winnen we verkiezingen en brengen we het beleid terug dat we willen.

We zijn niet rechts. We zijn links-liberalen, we zijn met méér en we kunnen dit oplossen.

Dit opiniestuk verscheen onder de titel No, Liberal Lefties are Not Right-Wing op 23 augustus 2018 in het online magazine Areo, waarvan Helen Pluckrose hoofdredacteur is. Het is overgenomen met toestemming van de auteur en is vertaald door Niels Roode, met review van Tamara Brouwer.

Photo by Yeshi Kangrang on Unsplash