‘Godsdienstvrijheid doet ertoe’, schreef Paul Bordewijk onlangs voor deze website. Jan Bockma is het daarmee eens en wil gelovigen hun rechten niet afpakken, maar wel nadenken over hoe we godsdienstvrijheid in onze samenleving vormgeven. Hij ziet waarde in artikel 6 van de Grondwet, maar niet in de aparte vermelding van godsdienstvrijheid. Waarom zou dat niet kunnen vallen onder het bredere begrip ‘levensovertuiging’? ‘Het zal een sterk signaal zijn dat we geen onderscheid maken tussen gelovigen en ongelovigen’.

De kritiek van Paul Bordewijk op het voorstel van Vrij Links om godsdienstvrijheid niet meer apart te benoemen in de grondwet, is een waardevolle bijdrage aan het debat, temeer omdat hij een wijdverbreid misverstand duidelijk maakt: dat het niet meer apart benoemen van godsdienstvrijheid gelijk zou staan aan het afschaffen van de vrijheid om een godsdienst te belijden.

Eerder stelde ik al dat de godsdienstvrijheid een onhoudbaar concept is. Ik betoog in dat artikel dat de huidige vorm van godsdienstvrijheid grote religies bevoordeelt, wat in een religieus steeds diverser wordende samenleving ongewenst is. Niet-gelovigen vervreemden daarmee van de rechtsorde, omdat zij ervaren dat mensen die een beroep doen op de godsdienstvrijheid meer rechten hebben dan zij die dat niet doen. Daarnaast doet de huidige invulling geen recht aan individuele opvattingen, omdat een beroep op de godsdienstvrijheid vereist dat het stelsel van ideeën door meerdere mensen gedeeld wordt.

Ik sta nog steeds achter deze analyse. Ik sluit echter af met de constatering dat de ‘vrijheid van meningsuiting en democratie […] sterkere instrumenten [zijn] om de belangen van iedereen zo goed mogelijk te behartigen dan de wettelijke godsdienstvrijheid.’

Inmiddels ben ik hier niet meer zo van overtuigd.

Vrijheid van meningsuiting?

Stel dat ik bij een supermarkt achter de kassa ga werken: is het een inbreuk op mijn vrijheid van meningsuiting als m’n werkgever me vraagt tijdens werktijd geen GroenLinks-pet te dragen? Dat lijkt me nogal overdreven. Ik kan mijn steun aan de partij op andere momenten, op andere manieren uiten. De klanten van de betreffende supermarkt hebben daar op dat moment geen boodschap aan, dus het is heel redelijk dat ik mijn politieke mening op dat moment voor me houd.

Maar stel nu dat een moslima met een hoofddoek achter de kassa van een supermarkt gaat werken. Hoewel haar hoofddoek ook een opvatting of mening weergeeft – in ieder geval een opvatting over de oorsprong van de wereld – is dat, er even van uitgaande dat ze de hoofddoek uit vrije wil draagt, toch een ander verhaal dan mijn GroenLinks-pet. Zij kan er veel moeilijker voor kiezen om die op bepaalde momenten wel en op bepaalde momenten niet te dragen, omdat ze die op principiële gronden buitenshuis áltijd draagt. Het zou dan veel ingrijpender zijn om die tijdens het werk af te moeten zetten.

Vragen om de hoofddoek thuis te laten, zou er dan toe kunnen leiden dat ze niet in die supermarkt zou willen werken. Dat is wellicht overzichtelijk als het bij één supermarkt blijft, maar wat als vrijwel alle werkgevers besluiten dat hoofddoekjes op de werkvloer ongepast zijn? Dan zal een deel van de bevolking ervaren dat er geen plaats voor hen is in Nederland.

Dat lijkt me een onwenselijke situatie en zou veel moslima’s ongelooflijk tekortdoen. Hoewel we weten dat de hoofddoek lang niet altijd uit vrije wil wordt gedragen, weten we ook dat velen er wel degelijk zelf voor kiezen. Daarnaast heb ik moeite met de religieuze ideeën die de hoofddoek symboliseert, maar daar heb je in de praktijk ook lang niet altijd last van; tenminste, ik vind het zelf bij de drogist wat ongemakkelijk om voorbehoedsmiddelen af te rekenen bij een kuis uitziende caissière met hoofddoek, maar zij reageert alsof ik net zo goed een verpakking met tandenborstels had kunnen kopen. Het ongemak is dan mijn probleem, niet het hare.

Ik wil geen samenleving waarin we mensen buitensluiten. Voor zover er geen sprake is van andere zwaarwegende belangen waarbij een religieuze uiting het uitvoeren van essentiële taken in de weg staat, zoals het dragen van een politie-uniform of toga om neutraliteit te benadrukken, vind ik de vrijheid om een hoofddoek te dragen op het werk het verdedigen waard. Net als Bordewijk vind ik het ‘een mooi trekje van Nederland dat er geprobeerd wordt zo veel mogelijk aan elk principieel bezwaar een mouw te passen.’ De vrijheid van meningsuiting beschermt dat, vrees ik, toch niet genoeg. Hoewel er democratisch besloten zou kunnen worden een specifieke religieuze uiting toe te staan, biedt dat niet genoeg bescherming voor minderheden die een te klein electoraat hebben om hun eigen vrijheden op de agenda te zetten.

Het laatste deel van mijn vorige artikel is dus, bij nader inzien, wat te optimistisch over de mogelijkheden van die andere rechten om het wegvallen van de godsdienstvrijheid op te vangen. Voor zover ik afschaffing van artikel 6 dan ook ooit overwogen heb, neig ik er nu naar te willen pleiten voor het behoud ervan.

Levensovertuiging

Hiermee hoef ik geen afstand te doen van het Vrij Links-manifest – en ook al zou ik dat wel willen, is dat ook geen probleem. Het manifest is namelijk géén expliciet pleidooi voor afschaffing van artikel 6. Vrij Links is slechts ‘tegen de aparte vermelding van vrijheid van godsdienst in de grondwet omdat dit leidt tot een voorkeursbehandeling van diegenen die zich tot een van de grote godsdiensten rekenen’.

Die aparte vermelding schrappen kan op meerdere manieren, want het gaat niet om het afnemen van fundamentele vrijheden, maar om de wijze waarop die vormgegeven worden binnen de samenleving. Hierover wordt ook tussen betrokkenen bij Vrij Links levendig gediscussieerd; het waarborgen van ieders rechten, met artikel 1 van de Grondwet als leidraad, staat daarbij voorop.

Het is ook mogelijk godsdienst niet meer apart vermelden in de Grondwet mét behoud van artikel 6. Zoals Bordewijk al schrijft, beschermt dat namelijk niet alleen de vrijheid van godsdienst, maar ook de vrijheid van levensovertuiging. In 1983 is deze term toegevoegd aan de Grondwet, om ook recht te doen aan de Nederlanders die niet of niet meer tot een godsdienst behoren. Onder meer het Humanistisch Verbond heeft zich daar destijds hard voor gemaakt.

Een ‘levensovertuiging’ bestaat uit de ‘beginselen waarnaar je je leven inricht’, aldus de Van Dale. Net als bij een religie gaat het erom dat je je kunt beroepen op deze vrijheid om je naar je overtuiging te gedragen als die botst met andere belangen. Zo wordt veganisme als levensovertuiging gezien. Op de vrijheid om veganist te zijn werd bijvoorbeeld inbreuk gemaakt toen een bemiddelaar tussen zelfstandige seniorenhulpen en hulpvragers weigerde haar diensten aan te bieden aan een veganistische zzp’er; die zou onbemiddelbaar zijn ‘vanwege de extreme opvattingen die hij als veganist over voeding heeft’.

Die vrijheid lijkt meer op de godsdienstvrijheid dan Bordewijk veronderstelt. Het klopt namelijk niet dat een levensovertuiging gebaseerd is op ‘de individuele geestelijke ontwikkeling van mensen’. Ook hier gaat het om ideeën die voorbij persoonlijke opvattingen gaan. In het vonnis over veganisme als levensovertuiging wordt dat als volgt verwoord: ‘Voorwaarde voor het erkennen van een levensovertuiging is dat sprake moet zijn van een existentiële gemeenschappelijke overtuiging, dat wil zeggen een min of meer coherent stelsel van ideeën, waarbij het gaat om fundamentele opvattingen over het menselijk bestaan. Daarbij is het noodzakelijk dat deze opvattingen niet slechts individueel worden gehuldigd, maar dat sprake is van gemeenschappelijke opvattingen’.

Kortom, net als godsdienstvrijheid is de vrijheid van levensovertuiging een collectief recht, geen individueel recht. Het verschil tussen godsdienst en levensovertuiging lijkt dan vooral te bestaan in het wel of niet erkennen van een god. Maar ook dat onderscheid lijkt niet houdbaar. Zo schrijft rechtsfilosoof Koo van der Wal dat het moeilijk is voor de godsdienstsociologie om tot een goede definitie van religie en godsdienst te komen: ‘Een erkende ‘godsdienst’ als het vroege boeddhisme kent immers geen god of goden. Maar ook van veel archaïsche religies is onduidelijk of de ‘geesten’ van voorouders, bergen, rivieren, winden, enzovoort als ‘goden’ kunnen gelden.’

Een god is dus niet per se nodig, maar wat dan wel? Van der Wal schrijft: ‘in één opzicht bestond er onder religiewetenschappers wel in hoge mate overeenstemming, namelijk dat religie als algemene ordeningsstructuur van een samenleving kan worden gezien’. Maar daarin is religie natuurlijk niet uniek: dat geldt ook voor de ‘fundamentele opvattingen over het menselijk bestaan’ van het eerdergenoemde veganisme, en ook voor de sociaaldemocratie, het feminisme, het kapitalisme en het communisme of nationaalsocialisme. Toch valt geen enkele daarvan onder de vrijheid van godsdienst.

Aparte vermelding

Kortom, is de aparte vermelding van godsdienst in de Grondwet eigenlijk wel nodig? Waarom zouden religies niet gewoon onder de vrijheid van levensovertuiging kunnen vallen?

Dat laatste zou volgens mij een aantal voordelen opleveren. Hoewel zowel godsdiensten als levensovertuigingen in theorie dezelfde bescherming genieten, hebben godsdiensten een historische voorsprong. Die worden, zoals Bordewijk schrijft, al sinds 1798 beschermd. Dat andere overtuigingen pas sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw in de Grondwet zijn opgenomen, zegt wat over hoe het lang het heeft geduurd voor we die serieus zijn gaan nemen.

Dat historische verschil heeft gevolgen: de vrijheid van godsdienst is vanzelfsprekender dan die van levensovertuiging. Zo schrijft mr. drs. J.R. Groen in de publicatiereeks Recht en Overheid: ‘Recht is bijna altijd enigszins in het voordeel van bestaande organisaties en structuren, simpelweg omdat de kenbaarheid van deze belangen groter is dan voor nieuwere bewegingen.’ Dat historische gewicht blijft niet beperkt tot het recht, maar speelt ook mee in de maatschappelijke discussie. Zo voert Bordewijk dat zelf al als argument aan: ‘Door godsdienstvrijheid nu uit de grondwet te schrappen, snijden we onze historische wortels af.’

Maar is het niet zo dat vooruitgang juist mogelijk is omdat we eerlijk durven te kijken naar de wenselijkheid van bepaalde zaken, zonder traditie daarin bepalend te laten zijn?

Neem bijvoorbeeld het standpunt van artsenfederatie KNMG tegen jongensbesnijdenis, omdat deze procedure geen medische voordelen oplevert en er regelmatig complicaties zijn. KNMG vindt in de medische wereld veel medestanders, maar niet bij het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG). Dit is een organisatie die de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de hoogte stelt van ‘nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap en de samenleving die vanuit ethisch perspectief van belang zijn voor het volksgezondheidsbeleid’.

Het CEG voert ook de historie als belangrijk argument aan: ‘Jongensbesnijdenis is al eeuwenlang een religieus en/of cultureel gebruik in onder meer de Joodse en in de Islamitische traditie en moet binnen die context worden beoordeeld. Jongensbesnijdenis is een religieuze of culturele praktijk, geen medische handeling, die zich niet zomaar laat afschaffen door de KNMG omdat er “geen medisch voordeel” mee gediend wordt of omdat er soms ernstige complicaties kunnen optreden.’

Hier wordt het belang van het kind ondergeschikt gemaakt aan het historische gewicht van religieuze of culturele gebruiken. Daarmee wordt ook de discussie doodgeslagen, want het CEG schrijft: ‘Het gaat bij jongensbesnijdenis niet alleen om de waarde van lichamelijke integriteit, maar ook om de godsdienstvrijheid en het recht van ouders hun kinderen naar eigen overtuiging groot te brengen […] De KNMG biedt geen ruimte aan verscheidenheid van religieuze en culturele tradities en gebruiken die al eeuwen maatschappelijk en juridisch zijn geaccepteerd. De KNMG zegt respect te hebben “voor de diepe religieuze, symbolische en culturele gevoelens die met de praktijk van niettherapeutische circumcisie omgeven zijn”, maar dat respect weerklinkt niet in haar standpunt.’

Kortom, die historie doet ertoe. Dat betekent dus ook dat de grote godsdiensten door die historische wortels maatschappelijk sterker staan dan andere levensovertuigingen, zoals humanistische opvattingen over de integriteit van het menselijk lichaam. Dit onevenredig verdeelde evenwicht lijkt me schadelijk: op z’n minst moet er een maatschappelijke discussie over de wenselijkheid van jongensbesnijdenis mogelijk zijn zonder direct te schermen met termen als ‘respect’ en het recht op godsdienstvrijheid.

Ik denk dat er een beter evenwicht ontstaat als we godsdienst niet meer apart benoemen, maar ‘degraderen’ tot een categorie die valt onder het bredere begrip ‘levensovertuiging’. Het zal een sterk signaal zijn dat we geen onderscheid maken tussen gelovigen en ongelovigen: ieders levensovertuiging, van de vegetariër tot de christen, verdient evenveel bescherming, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.

Daarnaast passen we ons op die manier als samenleving aan op dat steeds diverser wordende landschap aan religieuze en niet-religieuze overtuigingen. Levensovertuiging wordt een veelomvattender en betekenisvoller begrip, waarin bijvoorbeeld een onbekende of nieuwe godsdienst, om aanspraak te maken op vrijheden, niet per se erkend hoeft te worden als een religie – dit blijkt immers een wat ongrijpbaar begrip. Omdat de jurisprudentie toe zal nemen op het gebied van levensovertuiging, zal het bewustzijn over deze vrijheid en de overwegingen die aan rechterlijke oordelen ten grondslag liggen, toenemen. Dit zal helpen om beter te bepalen wanneer een beroep op het recht wel of niet gegrond is.

Zo wordt ook overzichtelijker om te bepalen welke uitingen werkelijk ongewenst zijn. Als strafbare haatzaaiende uitingen niet beschermd worden door de vrijheid van levensovertuiging, ook al passen die uitingen binnen een coherent stelsel aan beginselen, dan geldt hetzelfde voor dergelijke uitspraken op religieuze basis. Hiermee wordt er meer recht gedaan aan het allerbelangrijkste fundament van onze rechtstaat: rechtsgelijkheid.

Ik zou er dan nog steeds moeite mee hebben dat de vrijheid van levensovertuiging een collectief recht is, niet een individueel recht. Maar ik denk dat het een eerste stap is naar een meer gelijke rechtsbescherming van ieders overtuigingen – ook die van gelovigen.

Nu ben ik natuurlijk geen jurist, dus ik sta open voor voortschrijdend inzicht. Daarom vind ik de discussie over de godsdienstvrijheid belangrijk en dat is precies wat het Vrij Links-manifest aanjaagt. Het zou dus zonde zijn om dat te zien als een aanval op de vrijheid van gelovigen. Want dat die vrijheid het beschermen waard is, dat ben ik volledig met Paul Bordewijk eens: de godsdienstvrijheid doet ertoe.

De vraag is alleen, hoe?