Het manifest van Vrij Links bevat het voorstel om de vrijheid van godsdienst niet meer apart te benoemen in de Grondwet, want de ‘vrijheden waarop gelovigen aanspraak kunnen maken − vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging, vrijheid van vergadering en betoging − zijn al veilig verankerd in de wet en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’. Paul Bordewijk vindt het voorstel een slecht idee: ‘Wij hebben in Nederland een grote traditie van het rekening houden met minderheden.’

In het manifest van Vrij Links zoals dat op 18 mei gepubliceerd is in de Volkskrant, verklaart Vrij Links zich tegen de aparte vermelding van godsdienst in de Grondwet, omdat dat tot een voorkeursbehandeling zou leiden voor diegenen die zich tot een van de grote godsdiensten rekenen. Hoewel ik de achtergrond van dit voorstel begrijp, vind ik het om meerdere redenen een slecht idee.

In de eerste plaats heeft ons land staatkundig vorm gekregen tijdens de opstand tegen de Spanjaarden, die in sterke mate een strijd voor godsdienstvrijheid was. Je hoeft niet zelf godsdienstig zijn om toch respect te hebben voor mensen die vanwege hun geloof gestorven zijn op de brandstapel. Vrijheid van godsdienst zit ons daardoor zogezegd in de genen. Wil je godsdienstoorlogen vermijden, dan moet je accepteren dat anderen dingen geloven die je zelf absurd vindt.

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kende dan wel geen gelijkstelling van verschillende godsdienstige stromingen, maar andere kerken dan de Nederduits Gereformeerde Kerk werden wel gedoogd, wat voor die tijd vrij uitzonderlijk was. In 1796 werden alle godsdiensten gelijk gesteld. Dat kwam tot uitdrukking in de Staatsregeling van 1798: ‘Elk burger heeft vrijheid, om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart.’ Door godsdienstvrijheid nu uit de grondwet te schrappen, snijden we onze historische wortels af.

Maar hoe zit het dan met degenen die geen godsdienst belijden? Die werden in 1798 karig bedeeld. Maar in onze huidige grondwet staat in artikel 6: ‘Ieder heeft het recht om zijn godsdienst of levensovertuiging […] vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.’ Er is dus geen uitzonderingspositie meer voor godsdienstige overtuigingen, maar de Grondwet beschermt ook levensovertuigingen die niet gebaseerd zijn op een goddelijke openbaring maar op de individuele geestelijke ontwikkeling van mensen.

Daarmee hangt samen dat godsdienstvrijheid ook het recht inhoudt om van een geloof af te vallen. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens erkent dat recht met zoveel woorden in artikel 18. Dat is een van de redenen dat islamitische regeringen niet gelukkig zijn met de Universele Verklaring, en er verschillende alternatieven voor zijn voorgesteld. Ook in de beginselverklaring van de PvdA wordt een verband gelegd tussen godsdienstvrijheid en het recht op geloofsafval.

Geloofsvrijheid behelst dan ook niet alleen het recht om een geloof te belijden, maar ook om zich naar zijn geloof of levensovertuiging te gedragen. Dat recht is niet absoluut: de gewone wetgever heeft het laatste woord. In Nederland hangt het gelukkig niet van de samenstelling van een constitutioneel hof af of abortus wel of niet is toegestaan.

Wij hebben in Nederland een grote traditie van het rekening houden met minderheden. Joodse winkeliers mochten hun winkel op zaterdag in plaats van op zondag sluiten en er zijn ingewikkelde regelingen voor mensen die zich principieel niet willen verzekeren. Je kon ook om principiële redenen weigeren in militaire dienst te gaan, maar je moest dan wel bereid zijn vervangende diensten te verrichten: wie geheel weigerde om voor de staat te werken, zoals Jehova’s Getuigen, ging de gevangenis in. Niemand verplicht je ook in de evolutieleer te geloven, maar als je tijdens je tentamen geologie zegt dat de aarde in zes dagen geschapen is, krijg je wel een onvoldoende.

Ik vind het een mooi trekje van Nederland dat er geprobeerd wordt zo veel mogelijk aan elk principieel bezwaar een mouw te passen. Dat kan ook zonder Grondwet, maar wanneer de Grondwet de belangrijke principes weergeeft waarop onze overheid zich baseert, hoort vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing daar eerder in thuis dan bijvoorbeeld het voortbestaan van de waterschappen. Er zijn overigens ook veel vrijheden die niet in de Grondwet staan, zoals het kiezen van voedsel, kleding en hobby’s. Dat is ook niet nodig.

Toch zitten er aan geloofsvrijheid nog wel haken en ogen. Godsdienstige groeperingen kunnen eigen voorschriften hebben over hoe gelovigen zich dienen te gedragen, zodat godsdienstvrijheid de vrijheid van de gelovigen aan kan tasten. Dat kan gaan over seksualiteit, maar ook over eten en drinken. Soms zijn die voorschriften in Nederland onacceptabel. Eerwraak, genitale verminking van meisjes en uithuwelijken zijn verboden, zo ver gaat de godsdienstvrijheid niet.

Bij andere voorschriften is het aan de gelovigen zelf zich daar al of niet aan te houden, bijvoorbeeld bij de katholieke huwelijksmoraal en de joodse spijswetten. Daarbij kunnen ze op twee barrières botsen. De ene is dat kerken kunnen dreigen met straf in het hiernamaals. Dat lijkt me eigen aan het geloof: of je gelooft in hemel en hel, en dan is het verstandig je daarnaar te gedragen, of je gelooft dat niet, en dan is er geen probleem.

Iets anders is het wanneer dominees en pastoors hun gelovigen en dan vooral kinderen chanteren met angst voor de hel. Het maakte het lot van kinderen die het slachtoffer werden van de geilheid van priesters en pastoors nog ondraaglijker. Dat kan nooit met een beroep op de vrijheid van godsdienst worden gerechtvaardigd.

Je kunt ook de vraag stellen of het geen misleiding is mensen aan te praten dat ze naar de hel gaan wanneer ze zich niet aan godsdienstige voorschriften houden. Net als die 72 maagden die beloofd worden aan zelfmoordjihadisten, wat me overigens behoorlijk vermoeiend lijkt. Moet daar de reclamecodecommissie niet ingrijpen? Nog los daarvan: wat vinden de ouders van die 72 maagden daar eigenlijk van?

Op zichzelf kan de wetgever zich beter niet bemoeien met het hiernamaals, om godsdienstoorlogen te vermijden. Maar dat wordt anders wanneer het hiernamaals wordt gebruikt om aan te zetten tot terrorisme of kinderen te misbruiken.

Een ander probleem is de sociale dwang die er kan worden uitgeoefend op mensen die zich niet houden aan kerkelijke voorschriften. Het is ook gemakkelijker om te vasten in een groep waarvan iedereen dat doet dan Ramadan te houden in het gezelschap van mensen die zich te goed doen aan een vette karbonade. Het kan betekenen dat je door je familie niet meer geaccepteerd wordt wanneer je religieuze voorschriften overtreedt. Het kan ook betekenen dat ouders breken met hun afvallige kinderen.

Voor een hechte gemeenschap als de vroegere CPN gold ook dat breken met de partij tot een sociaal isolement leidde. Zo kan materiële onvrijheid ontstaan door de juridische vrijheid die mensen hebben zelf te bepalen met wie ze omgaan. Je kunt je dan afvragen of het recht op geloofsafval nog wel bestaat. Net als dat het de vraag is of meisjes die hoofddoeken dragen dat wel altijd vrijwillig doen. Misschien moeten ze het van hun ouders, en zijn die weer bang voor wat de buren zeggen.

Maar moet je iets verbieden omdat soms mensen er sociaal toe gedwongen worden? In sommige gevallen wordt dat bepleit, zoals een verbod op prostitutie omdat vrouwen dat niet altijd vrijwillig doen. Mogen ouders of echtgenoten een zwangere vrouw aanzetten tot een abortus? Of moeten we om dat te voorkomen abortus dan maar verbieden? Zit er niet een sociale component in het vragen om euthanasie?

De vraag is dan steeds of je iets moet verbieden omdat sommigen dat onder sociale dwang doen. Voor een verbod op het dragen van hoofddoeken en vasten tijdens de Ramadan lijkt me dat onvoldoende reden. De mens is een sociaal wezen, en dat betekent dat hij soms voor onaangename keuzes kan komen te staan tussen het volgen van zijn eigen wil en geaccepteerd worden door de gemeenschap waar hij uit voortkomt. Leuker kunnen we het niet maken.

Maar er is ook een spanning tussen de ouderlijke macht en geloofsvrijheid. In feite heb je als kind geen geloofsvrijheid zolang je ouders kunnen bepalen dat je mee moet naar de kerk en niet mag omgaan met bepaalde andere kinderen. Het bijzonder onderwijs vindt zijn ratio in de vrijheid van de ouders om te proberen hun geloof over te dragen op hun kinderen. De vraag is of de overheid daarbij zo’n sterk faciliterende rol moet spelen als nu. Hier een eind aan maken, wat nog moeilijk genoeg zal zijn, lijkt me vruchtbaarder dan de geloofsvrijheid te schrappen uit de Grondwet.