Filmmaker en PvdA-lid Eddy Terstall belandt in 2009 aan tafel met Ernst Hirsch Ballin, in die tijd minister van Justitie, om te praten over de wet op godslastering. ‘Een gesprek dus tussen twee tegenstanders in het debat, met als bedoeling wederzijds te constateren dat de ander als mens wel meevalt.’

Ik zat tegenover minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie in Brasserie Keyzer op het Museumplein met ouderwets en goed eten op onze borden.

De enige andere bezoekers van het café waren, alsof God ermee speelde, Hans Teeuwen, Theodor Holman en Pierre Vinken. Hans en Theodor zijn al lange tijd vrienden en medebezorgden over de vrije en open samenleving. Pierre Vinken is een eminent denker langs die lijnen, die ik al lang van gepaste afstand bewonder. Rasseculieren, rasatheïsten ook. Ook al doet dat laatste in deze discussie niet ter zake. Atheïsme is een mening, secularisme een overtuiging. De overtuiging dat je gewoon vindt dat religie een privézaak is. Er bestaan ook seculiere gelovigen. Dat zijn gelovigen die geloof dus als een privézaak zien. Wanneer geloof meer pretendeert te zijn dan een persoonlijke band tussen de mens en zijn god, wanneer het een andere maatschappelijke ordening nastreeft met andere wetten, dan is het geloof niet meer gewoon een religie. Dan wordt het een politieke ideologie.

‘Gaat het over godslastering?’ wilde Theodor weten. Daar ging het over. Ik schrijf ‘God’ in dit verhaaltje uit respect voor mijn tafelpartner even met hoofdletter G. Normaal doe ik dat niet. Het is geen wetmatigheid dat je dingen die waarschijnlijk niet bestaan met een hoofdletter schrijft. Dat doe je met de woorden ‘kabouter’ en ‘yeti’ ook niet.

Dat ik tegenover de toenmalige minister zat, kwam door Wouter Bos. ‘Ga eens met Ernst praten voordat jullie karikaturale beelden over elkaar ontwikkelen. Ik denk dat jullie het wel goed met elkaar zullen kunnen vinden.’

Wat was er aan de hand? Waarom moest ik met ‘Ernst’ aan tafel?

De seculiere partijen waren van plan om godslastering uit het Wetboek van Strafrecht te halen. De christelijke partijen wilden dat niet. De PvdA zat in een lastige positie, omdat ze met twee christelijke partijen in het kabinet zat.

Vanuit de eigen traditie moesten ze natuurlijk wel met de andere seculiere partijen meestemmen bij de motie voor afschaffing, maar de angst was dat de christelijke partijen dan de coalitie niet meer zouden zien zitten. En de PvdA had het probleem dat ze op het gebied van het Europa-referendum en het onderzoek naar de Irakoorlog al twee keer op een principieel punt had ingebonden alsof het om een pak suiker ging. Een derde keer zou een lelijk plaatje opleveren voor de kiezer.

De PvdA toonde ook intern barsten op dit onderwerp. Sommigen wilden pragmatisch zijn en zich van stemming onthouden, en anderen wilden voet bij stuk houden. Van dat laatste clubje had ik de grootste bek, dus was het volgens Wouter belangrijk dat ik met Hirsch Ballin zou praten, zodat hij zou zien dat de baarlijke duivel niet voor hem stond, en omgekeerd zou ik dan merken dat ik niet met het hoofd van de inquisitie zat te eten. ‘Veel CDA’ers stellen het zich zo voor dat die PvdA’ers die de motie voor afschaffing willen steunen, de vrijheid van meningsuiting alleen maar zien als een vrijbrief om te kwetsen. Leg jij Ernst maar uit hoe jij het ziet,’ zei Wouter. Uit een andere bron vernam ik dat er rond het thema zelfs sprake zou zijn geweest van een kabinetslid in tranen. Ik blijf nog gissen naar het wie en vooral het waarom. Vooral wil ik graag weten of het een waardige traan van diep innerlijk verdriet was, of een schreeuwerige jengel van een vermeend onbegrepene.

Een gesprek dus tussen twee tegenstanders in het debat, met als bedoeling wederzijds te constateren dat de ander als mens wel meevalt.

Inderdaad was het niet Torquemada die tegenover mij zat in Brasserie Keyzer. En ik denk niet dat ik bij Ernst de indruk wekte van een monnikenslachtende beeldenstormer. Een volgeling van Thomas van Aquino zat tegenover een van Spinoza, dat wel. Maar er zaten ook twee filmfans tegenover elkaar, en twee mensen die op dezelfde school hadden gezeten. Tegenover Ernst Hirsch Ballin heb je steeds de indruk dat er een arts tegenover je zit die aandachtig luistert naar je medische klachten. Hij spreekt ook als een arts. Bedachtzaam en op zachte toon. Niet omdat het besprokene het daglicht niet kan verdragen maar omdat hij net als ik met weinig volume spreekt. Weinig getetter dus aan ons tafeltje. En dat is wel zo aangenaam.

Aan het persoonlijke contact zou het dus niet liggen. Aan de gewenste toekomstvisie voor de maatschappij ook niet. We wilden allebei dat het land ad infinitum zo zou blijven als het was. Vrij, vreedzaam en gematigd. En met geen millimeter ruimte voor extremistische activisten en fundamentalisten om het debat te smoren en de rechtstaat te ondermijnen ten koste van de open samenleving. Alleen de weg daarnaartoe zagen we anders. Wezenlijk anders. Waar minister Ernst de maatschappelijke rust als middel zag naar maatschappelijke vrede, zag ik dat juist als symptoombestrijding. De open samenleving is een vreedzame strijd van ideeën door middel van woorden. Ideeën moeten zich in zo’n samenleving constant bewijzen op waarheid, logica, menselijkheid, moraliteit en kwaliteit. Ook religieuze ideeën. Mensen hebben rechten en verdienen bescherming. Ideeën niet.

Religie was inderdaad objectief voor de wet een mening, zo redeneerde de jurist in de minister. ‘Maar je ziet met name in sommige gereformeerde gemeenschappen en in mohammedaanse kring dat religie daar soms bijna als een aangeboren identiteit wordt gezien,’ bespiegelde hij.

Ik gaf aan dat de staat geen onderscheid mocht maken tussen religieuze en wereldlijke meningen, omdat het anders rechtsongelijkheid tussen burgers en hun overtuigingen zou veroorzaken. ‘En,’ zo kwam ik tot mijn belangrijkste punt, ‘als je vastlegt dat religie aangeboren is, dan kom je aan de rechten van de mens. Dan kom je aan gewetensvrijheid.’ Je kunt namelijk niet tegen iemand zeggen: ‘Jij staat vanaf je geboorte geregistreerd als iemand die “van mening is” dat een alwetende God ons gecreëerd heeft en dat de profeet Mohammed een boek in het oor kreeg gesproken via een aartsengel.’ Een mens mag zelf al denkend tot een persoonlijke mening komen. Dan pas ben je als burger vrij. En, zoals Spinoza zegt: ‘De taak van de staat is vrijheid.’

Ik zag dat als een onverwoestbare redenering. Los van het feit wat ik van religie vind. Voor de goede orde: ik vind het volgende — maar in een rechtbank is deze particuliere mening van nul en generlei waarde — ik vraag de jury dan ook om de volgende passage te negeren.

De verschillende religies zijn verzinsels rond een slecht of eenzijdig gedocumenteerde persoon of gebeurtenis uit het verleden. In de gewenste vorm gebogen door de machtigen van die tijd en plaats. Het zijn onwaarschijnlijke en dus waarschijnlijk onware verhalen.

Het is objectief gesproken erg raar en volstrekt onwetenschappelijk als iemand veronderstelt dat er een vrouw uit de rib van een man geboren kan worden, of dat een vrouw een kind kan baren zonder bezwangerd te zijn. Of dat een analfabete koopman in een grot een boek in het oor krijgt gesproken door aartsengel Gabriël. Of dat goden met een strijdwagen door de lucht razen en een zoon hebben met een olifantenkop. Of dat een uitverkoren volk door een opengespleten zee wordt gevoerd. Dat zijn onwrikbare waarheden van vier van de vele wereldgodsdiensten.

En druzen dan? Druzenmannen dragen een wijde broek, omdat de Messias volgens hen uit de man geboren wordt en niet hard op de grond mag vallen.

Mormonen hebben hun boodschap gekregen doordat hun stamvader die las uit een hoge hoed, van waaruit hij ze dicteerde aan de gemeenschap.

Hoge hoeden, aartsengelen, strijdwagens in de lucht, messiassen die in wijde broeken vallen… Oorlogen van aanhangers van het ene onzichtbare vriendje met het andere vriendje, en religieuze baasjes die om het hardst om respect roepen voor hun sprookjes.

Nou weet ik best wel dat er gelovigen zijn die op een meer symbolische, intellectuele of poëtische manier geloven of voor wie God gewoon een naampje is dat je aan je geweten geeft, maar religie botst wat mij betreft frontaal met de wetenschap. Met de beste wil van de wereld kan ik er niet veel meer van maken. Het zou prachtig zijn geweest als het grote mythische verhaal van troost en rechtvaardigheid waar was en ik zou graag ongelijk hebben, maar ik ben realist. Religie is wanhopig wensdenken. En hoe filosofisch of metafysisch ook beleden, het botst met de waarheid.

Ik ben me ervan bewust dat dat een privémening is en dat die er maatschappelijk niet toe doet. Zeker niet in een discussie met de, op dat moment, opperjurist van het land.

Die zelf wel gelooft. Prima, als iemand daar troost en inspiratie uit haalt… Maar ook dat doet in ons gesprek niet ter zake. Ik zal ook altijd strijden voor vrijheid van godsdienst, zolang dat maar gewoon een deel van de vrijheid van meningsuiting is. Niet minder, maar vooral ook niet meer. De diepgevoelde mening dat God zich zal openbaren aan negen uitverkorenen vanuit een slagroomgebakje, verdient evenveel rechtsbescherming als mijn mening dat er na de dood net zo weinig is als voor de geboorte. Dat ons de eeuwige narcose wacht, waarin zelfs geen dodemansdroom wordt gedroomd.

Slechts eenmaal heeft de goddelijke genade zich aan mij geopenbaard. Een lange tijd geleden deed ik een wensbriefje in de Klaagmuur in de stad die door de gehaakte bierviltjes Jeruzalem wordt genoemd en door de geruite theedoeken al-Quds. De wens had natuurlijk weer met seks te maken. Wanneer mensen niet met directe medische nood van zichzelf of naasten te maken hebben, gaan diepe wensen altijd over seks, neem ik aan. Het was een vrij onwaarschijnlijke wens. Maar ja, je richt je tot God, nietwaar, die heeft wel wonderlijker dingen voor elkaar gekregen dan twee van zijn minuscule schepselen zich met elkaar te laten verstrengelen. Onwaarschijnlijk omdat net het meisje in kwestie bezet was en ik nooit, zoals dat zo beleefd heet, haar type was geweest. Zo’n tien jaar daarna bleken al die bezwaren als sneeuw voor Gods zon verdwenen en gebeurde het alsnog. Het was een indrukwekkend staaltje van een deus ex machina. Maar vanwege het eenmalige karakter van dit wondertje vind ik alleen dit bewijs niet overtuigend genoeg om van mijn ongeloof te vallen.

Maar waarom in godsnaam zit ik anno Domini 2009 als leek in Brasserie Keyzer tegenover de minister mijn case te maken? Een minister die ik bij de voornaam mag noemen en die toch enigszins rekening moet houden met mijn mening. Omdat ik in dat gesprek op dat moment de mening van velen vertegenwoordig. Van de meerderheid zelfs. In dit land in ieder geval, maar ook binnen de partij waar ik bijna een kwarteeuw slapend lid van was en inmiddels tegen wil en dank actief lid van ben. Hyperactief lid zelfs. Maar dan wel slechts actief op één thema: de gewetensvrijheid, in al haar vormen.

De lange weg die voorlopig eindigde in Brasserie Keyzer tegenover schoolgenoot Ernst, begon op mijn bank, thuis in de Jordaan. Het was 2 november 2004. Ik kreeg te horen dat Theo van Gogh was vermoord. Door een gek die dacht te handelen uit naam van een onzichtbare oppergeest en diens woordvoerder met de baard.

Een paar dagen ervoor had ik Theo nog gesproken. Ik zat met Poffertje in een hotel in Delhi. Er was sprake van dat er van een van mijn films in Bollywood een remake zou worden gemaakt. Hetzelfde zou gebeuren met een film van Theo. Theo was echter niet meegegaan. Wanneer Theo niet per se hoefde te vliegen, dan deed hij dat liever niet. Hij moest wel heel erg zin in een bestemming hebben, wilde hij in een vliegtuig stappen. Ik heb zelden naast zo’n bange passagier gezeten als hij die keer dat ik met hem op reis ging naar een filmfestival in Belgrado. Bij elk geluid dat het vliegtuig maakte, zag Theo de dood al voor ogen. Dus in India geen Theo.

Toen ik hem vanuit Delhi belde, beklaagde Theo zich zo’n 7000 kilometer verderop dat hij er vanwege zijn ‘hebbelijkheidje’ niet bij was. ‘Misschien is dat wel goed, Theo,’ antwoordde ik. ‘Je zou vast wel een of andere maharadja of andere tulbandhotemetoot hebben beledigd, en ze zouden je hebben opgeknoopt op een of ander tjokvol plein.’ Theo zag het voor zich en beaamde dat zijn thuisblijven misschien inderdaad wel de beste beslissing was geweest.

Een paar dagen daarna kreeg ik thuis op de bank dus het bericht dat hij, terwijl hij ongewapend en kwetsbaar op de fiets op weg was naar de montage van zijn film, was afgeslacht door een medeburger met een zootje wapens.

Die gebeurtenis bracht mijn stem desgevraagd in het NOS Journaal en vervolgens mijn hoofd in allerlei andere programma’s, en sindsdien ben ik niet meer weg geweest uit het debat over het vrije woord. Inmiddels heb ik er een halve dagtaak aan. Onbezoldigd, maar ik doe het graag. Of ‘graag’… Het is een deprimerend kutdebat tussen doven met weinig argumenten maar des te meer insinuaties en verdachtmakingen, maar ik moet het doen. Zo af en toe.

Een symboolissue in de discussie over het vrije woord werd de wet op de godslastering. Naar aanleiding van de moord op Theo poogde de voorganger van mijn tafelgenoot, de CDA-minister Jan Hein Donner, de oude wet op de godslastering nieuw leven in te blazen. Daarbij kreeg hij bijval van onder anderen ex-minister Laurens Jan Brinkhorst, die stelde dat het toch ook onverstandig was een sigaret op te steken in een kruitvat. Die sigaret was de film Submission. Een volledig binnen ons normatieve kader vallende aanklacht tegen vrouwenmishandeling uit naam van een religie. Nota bene geschreven door een vrouw die die religie en het misbruik van de extreme versie ervan aan den lijve had ondervonden. Dat was de opgestoken sigaret. Een film over vrouwenmishandeling.

Niet het kruitvat moest worden opgeruimd. Men moest er dus gewoon geen sigaret bij opsteken. Het duo Donner-Brinkhorst ontlokte de woede van Brinkhorsts partijgenote Lousewies van der Laan. Ze was even boos als ik over het voorstel van minister Donner om het door zijn grootvader ingestelde wetje weer te reanimeren, hetgeen neer zou komen op het straffen van slachtoffer Theo en het belonen van de godsdienstwaanzinnige dader Mohammed Bouyeri.

Lousewies diende een motie in om het geesteskind van opa Donner naar de prullenmand te verwijzen. Tot veler verbijstering kreeg ze er de zich links noemende partijen niet in mee. Inclusief de partij waar ik tot op dat moment dus slapend lid van was, de PvdA. ‘Het was niet het juiste moment. Het signaal zou verkeerd kunnen worden uitgelegd,’ piepten allerlei pseudoprogressieven.

Leden deze linkse lichtgewichten die de voorzichtigheid predikten aan islamofobie? Oftewel in het Nederlands vertaald ‘irrationele angst voor de islam’ of was hun angst reëel? Theo was net vermoord en er ontploften rond die tijd nogal wat forenzen her en er. Angst is niet verboden. Zelfs irrationele angst niet. Dus de bezorgde linksmensen mochten van mij best bang zijn voor de islam. Want islamofobie is net zomin verboden als arachnofobie, extreme angst voor spinnen of sesquipedalofobie, overmatige angst voor lange woorden. Maar angst is wel gevaarlijk. Een slechte raadgever zelfs. En bullebakken pakken juist de bangste jongetjes eruit.

Het niet-steunen van die motie straalde uit dat deze generatie Nederlanders niet bereid was om die vrijheden te beschermen die de babyboomers bij de geboorte in hun schoot geworpen kregen. De enige vrijheid die ze bevochten hebben, is de seksuele vrijheid. En die strijd bestond uit veel neuken, dus dat was leuk, een massale hobby, en toen was er niemand die op je schoot of je hoofd er probeerde af te snijden.

Ik heb het over de fysieke vrijheid en vrijheid van expressie. Gewetensvrijheid. Een vrijheid die overigens niet de onze is. Die hebben we in bruikleen. Die is bevochten van Den Briel tot Normandië. Die moeten we ongeschonden overdragen aan onze kinderen. Die is niet om zomaar weg te geven.

Dat de partij waar ik lid van was een van de partijen was die dit niet begreep, noopte mij ertoe te verklaren dat ik mijn lidmaatschap zou opzeggen wanneer ze bij een volgende ronde van een motie van die strekking niet vóór zou stemmen.

Ik had er direct uit kunnen stappen, maar dan was ik mijn drukmiddel kwijt. Ik besloot om het geringe gewicht dat ik als individueel lid in de schaal kon leggen, te gebruiken om de afschaffing van het vermaledijde wetsartikel mogelijk te maken. Dat dat kans van slagen had, kwam doordat ik er met mijn mening binnen de partij niet alleen voor stond. De meesten wilden ervan af, alleen waren sommigen dus bang voor de gevolgen voor het kabinet. Maar daar hoefde ik me niet druk om te maken. Die luxe had ik. Mijn baantje hing er niet van af.

Het hele proces van nieuwe wetsvorming nam een paar jaar in beslag. Voorgenomen en reëel ingediende moties werden door het verdeelde kabinet beantwoord met tegeninitiatieven, beloftes en vertragingstactieken. Inmiddels vier jaar verder bracht deze situatie me tegenover Ernst. Aan het tafeltje waar gewikt en gewogen werd, beschouwd en gefilosofeerd en waar mogelijke reserves over elkaars intenties verdwenen waren maar waar zich nog geen contouren van overeenstemming aftekenden.

De minister en ik kwamen er dus helaas niet uit en we gingen maar weer over op het onderwerp film. De manier waarop hij erover kon praten, was bepaald niet die van een stoffige jurist of een zolderkamerintellectueel. Na de première van mijn laatste film was mij al opgevallen hoe gedetailleerd hij een film op inhoud kon ontleden, maar deze keer kwam ook de esthetiek en de poëzie in cinema aan de orde. Misschien geloofde hij ook wel op die manier in God. De poëtische manier. De filosofische. Niet God als een vent op een wolk die met bliksemschichten gooit.

Ik was uiteraard niet close genoeg met hem geworden om hem dat te vragen. Religie is privé. Soms erg privé. En zo moet dat ook blijven. Op weg naar de deur, schoven we nog even aan bij het drietal Teeuwen, Holman en Vinken. Ik was verreweg de domste aan tafel. Dat overkomt me niet vaak. Als intellectuelen onder elkaar wisselde Ernst nog wat woorden uit met de oude Vinken.

‘Er niet uit gekomen, zeker, hè?’ vroeg Pierre Vinken.

De minister gaf daar geen commentaar op en bleef onberispelijk beleefd.

Toen Ernst vertrokken was, was god weer met een kleine letter zonder dat iemand daaraan aanstoot nam. Ik bleef nog wat hangen om me, net als Theodor en Hans dat geregeld doen, te warmen aan het denkvuur van Vinken, dat ondanks zijn hoge leeftijd nog steeds vurig brandt. In het verlengde van mijn discussie met Ernst Hirsch Ballin legde Pierre nog door middel van filosofie, biologie, wis-, natuur- en scheikunde even op een papiertje uit dat god toch echt niet kon bestaan. Het leek mij een sluitend betoog, wetenschappelijk sluitend, maar juridisch van nul en generlei waarde. De mannen aan tafel accepteerden dat zonder morren.

Dit verhaal is eerder verschenen in Eddy Terstalls autobiografie Ik loop of ik vlieg (2012), gepubliceerd door uitgeverij Prometheus.