‘Een liefdevolle vinger op een zere plek’ is het motto van Dogmavrij, een platform voor mensen die religieus zijn opgevoed en hier in meer of mindere mate afstand van proberen te nemen. Zeven woorden waarin oprichter Inge Bosscha precies samenvat waar ze meer aandacht voor wil vragen – de last en het leed van veel kerkverlaters benoemen, zonder de goede kanten van religie te bashen. 

‘Ik ben opgegroeid in een behoudende, religieuze kring en ik nam dat, als gevoelig kind, heel serieus. Van jongs af aan leerde ik dat ik voor eeuwig ´verloren´ zou gaan als ik niet bij de enige ware kerk hoorde. Gelukkig, zo vertelde men mij, was deze ‘enige ware kerk’ precies de kerk waarin ik opgroeide: een gereformeerd vrijgemaakte kerk in de jaren 80.
Op mijn twintigste trouwde ik in deze kerk, maar dit werd geen goed huwelijk. Ik had nooit geleerd mijn grenzen aan te geven en voor mezelf op te komen in onveilige situaties, dus ook niet in relaties. Integendeel, ik had geleerd te gehoorzamen en de schuld altijd bij mezelf te zoeken. Daarom kwam het niet eens bij me op te vertrekken. Totdat het niet meer alleen om mijzelf ging.

‘Toen ik drie maanden zwanger was, realiseerde ik me dat ik deze onveiligheid niet wilde voor mijn kind en vluchtte ik naar een opvangtehuis. Mijn familie en het kerkelijk gezag hebben maandenlang indringend op me ingepraat om terug te keren. Voor hen was het duidelijk: scheiden mag niet. Punt. Toen ik mijn ‘zondige weg’ vervolgde, kreeg ik een totaal andere positie. Ineens was ik het zwarte schaap geworden. 

‘Ondertussen waren er veel vragen in mij ontstaan. Vragen die ik mezelf nu pas ‘gewoon’ kon stellen, nu ik toch al uit de gunst was geraakt. Waarom bepaalden anderen wat in mijn leven de wil van God zou zijn? Spreekt God alleen tegen anderen en niet tegen mij? Wie bepaalt welke ‘stem’ van God de juiste is en waarom? 

‘Ik ging zelf nadenken en onderzoeken. Een paar jaar later verliet ik de kerk. Mijn godsbeeld was zo verruimd dat ik dit niet bij één religie kon onderbrengen. Ik realiseerde me bovendien dat mijn levensbeschouwelijke visie misschien wel niets zegt over de werkelijkheid. Het bepaalt alleen hoe ik de werkelijkheid ervaar. Dit inzicht was voor mij zowel schokkend als bevrijdend. Hoe ik het leven en wat daarin gebeurt ervaar, wordt dus bepaald door mijn basisaannames over de werkelijkheid. Vanaf die tijd hecht ik niet meer aan wat ik denk te weten. Ik voel me tevreden met mijn niet-weten. Je zou me nu een agnost kunnen noemen.’ 

Als iemand me van tevoren had gevraagd of ik hierover zou willen vertellen onder mijn eigen naam, had ik dat waarschijnlijk geweigerd


Als niet-gelovig opgevoede buitenstaander dacht ik altijd: ‘Nou, dan ben je er, je hebt je vrij gemaakt’. Maar jij beschrijft op je blog ook heel indringend de langetermijngevolgen die een streng-religieuze opvoeding kan hebben. Wat maakte dat je een site begon?

‘Ik schrijf graag en deelde sommige stukjes op Facebook. In 2015 schreef ik wat ik ervan vond als sommige christenen tegen me zeggen ‘ik zal voor je bidden’ – omdat ik volgens hen op de verkeerde manier in het leven sta. Vroeger zei ik dan beleefd ‘oh bedankt’, terwijl ik me er toch ongemakkelijk bij voelde. Ik dacht dat het aan mij lag. Maar kijk, als je allebei wilt dat iemand beter wordt, en iemand zegt dan voor je te bidden of een kaarsje te branden, dan vind ik het prima. Want dan heb je een gedeelde wens. Maar tegen mij zeggen ‘ik zal voor je bidden’, omdat ik ánders tegen het leven aankijk? Dan vertel je mij eigenlijk dat je vindt dat ik verkeerd bezig ben, dan begin je een soort levensbeschouwelijke machtsstrijd en eigenlijk vind ik dat ongepast en kwetsend. 

‘Op die post kreeg ik heel veel persoonlijke reacties van mensen die zeiden dat het ze diep geraakt had, dat ze het zelf ook zo voelden. Ik was verwonderd en geschrokken door zo veel reacties, ook van mensen die ik niet eens kende. Daarom schreef ik een tweede post over (ex-)religieus zijn, die opnieuw veel emotionele reacties opriep. Daardoor begon ik me te realiseren hóe vaak er nog een taboe ligt op dit onderwerp. Mensen zeiden namelijk ook: ‘Wat fijn dat je dit onder je eigen naam zegt’. Ik dacht ‘Ja, natuurlijk! Een christen die zegt hoe fijn hij het vindt in de gemeente, mag dat toch ook onder zijn eigen naam doen? Ik vertel gewoon mijn eigen verhaal en doe niets verkeerds.

‘Maar ik kwam er al snel achter hoe naïef dat was. Toen na al die reacties, ook media er aandacht aan gaven, was mijn familie not amused. Ze verweten me kwaadsprekerij en nestbevuiling. Sommige familieleden werden er door hun collega’s op aangesproken en schaamden zich voor mij. Want als je een gesloten groepering verlaat en je spreekt daarover, dan wordt ook de naam van je ouders bezoedeld in de ogen van de gemeenschap. Zij hebben ‘gefaald’, hun kind doet het ‘niet goed’, want die is een afvallige.

‘Als iemand me van tevoren had gevraagd of ik hierover zou willen vertellen onder mijn eigen naam, had ik dat waarschijnlijk geweigerd, juist ook voor mijn familie. Maar nu werd het een ander verhaal. Ik deed dit niet om dwars te liggen. Ik realiseerde me, eigenlijk vooral toen mijn familie me smeekte onder een schuilnaam te schrijven, hoe groot het taboe op dit onderwerp is, en dat veel mensen nergens terecht kunnen met hun verhaal. Omdat ik inmiddels meer dan duizend persoonlijke mails en berichtjes had gekregen van mensen die hun eigen ervaringen in mijn verhaal herkenden, besloot ik door te gaan. 

‘Voor mijn familie vind ik het echt lastig. Zij hebben hier niet om gevraagd. Ik ook niet, maar ik heb er uiteindelijk wel bewust voor gekozen. Dat ze me dit kwalijk nemen begrijp ik. Zij hadden geen keus. Ik begrijp dat het moeilijk is wanneer je door collega’s bevraagd wordt over onderwerpen die je met hen helemaal niet wilt bespreken. Ik voel me echter niet verantwoordelijk voor de grenzeloze houding van anderen.

‘Gelukkig is er in de loop van de jaren bij enkele familieleden meer begrip ontstaan voor mijn motieven. Maar het blijft van tijd tot tijd lastig. De prijs is hoog, voor iedereen.’ 

Wat me heel erg raakte in die langetermijngevolgen van een streng-religieuze opvoeding, was je beschrijving van het gevoel dat er altijd iemand meekijkt, bij wát je ook doet. En veel gevolgen kunnen blijvend zijn.’

‘Er zit nog altijd heel veel spanning in mijn systeem en in mijn lijf. Het is voor mij elke dag heel hard werken om normaal te functioneren en om niet te luisteren naar al die oude stemmetjes van vroeger – dat je waardeloos bent, dat je alleen maar in staat bent tot slechte dingen. Ik kan die stemmen niet het zwijgen opleggen, maar ze hebben geen zeggenschap meer over mij.’

Je beschrijft in dat stuk ook hoe je als kind, als je boos werd, bang was dat de duivel in je hart was gaan wonen. Zijn dat die stemmen die blijven?

‘Het is meer dat ik een constant gevoel van dreiging ervaar. Nog steeds. Ik ben het gelukkigst met mijn gordijnen dicht. Dan kan niemand me zien en dat voelt op een of andere manier heel veilig. Eerst gaf ik daar niet aan toe, omdat ik vond dat ‘normale mensen hun gordijnen overdag open houden’. Maar nu wil ik leven zoals ik dat wil – dan wijk ik maar af. Dus nu heb ik heel mooie, witte gordijnen gekozen, die ik sluit, en waar het licht doorheen valt.’

Het helpt niet om religieuze ouders als tegenstanders te gaan zien


Wat zou je willen dat politiek, de religieuze gemeenschappen of eigenlijk wij allemaal zouden doen om kerkverlaters te steunen?

‘Ik denk dat het heel belangrijk is dat er veel meer kennis en inzicht ontstaat, dat religie ondanks de mooie kanten niet altijd alleen onschuldig en plezierig is, maar dat religieuze overtuigingen óók schade en zelfs trauma’s kunnen veroorzaken. En dat het heel diep inwerkt op je identiteitsbeleving. Religie zegt iets over wie jij bent, over wie de mensen om je heen zijn en hoe je daar tegenaan moet kijken. Je wereldbeeld en je zelfbeeld zijn ervan doordrenkt. En als de groepering heel gesloten is, dan heb je ook geen enkel referentiekader. Zo ‘is’ het dan gewoon.’

Ik realiseer me door dit gesprek met jou, en eerder met Aïcha en Jabir, hoe een eenzame positie het moet zijn. Want je spreekt ofwel met niet-gelovigen, zoals ik, en ik wil het heel erg graag echt begrijpen, maar ik ben heel anders opgegroeid, dus het is voor mij nooit zó invoelbaar hoe diep dat zit. En mensen die wél gelovig zijn, op een manier die voor hen prettig is – die voelen het óók niet. 

‘Dat is precies wat het is. Het is heel moeilijk om duidelijk te maken dat er nog ergens een groep zit, die er soms veel last van heeft. 

‘Wat níet helpt in mijn overtuiging, is dingen gaan verbieden. Het helpt ook niet om religieuze ouders als tegenstanders te gaan zien. Als je hen ziet als ‘slechte ouders die hun kind indoctrineren’, en als ‘liefdeloos’, dan maak je van hen een vijand, en dan kun je moeilijk een team worden in het belang van het kind. Deze ouders zijn even liefdevol als alle andere ouders! Ze hebben net als andere ouders, een bepaald beeld van hoe je met kinderen om moet gaan, en wat belangrijk is om kinderen mee te geven.’

Voormalig moslim Jabir zei dat ook: ‘Mijn moeder dacht écht dat al die dingen die ze deed, mij konden behoeden voor mijn eeuwig branden in de hel. Kun je je voorstellen hoe dat is in de liefde tussen ouder en kind?’ En ik ben zelf moeder en als ik me voorstel dat ik tot in mijn diepste vezels zou geloven dat mijn kind naar de hel zou gaan als hij bepaalde eigen keuzes maakte … dan zou ik daar waarschijnlijk óók dwars voor gaan liggen.

‘Je móet ouders erbij betrekken. Wat ik hoop dat je ze zou kunnen meegeven: ‘Er zijn kinderen uit jullie groepering weggegaan – of tenminste volwassenen – die klachten hebben’. En of het nu een meerderheid of een minderheid van de kinderen is die die klachten heeft, het is heel belangrijk voor alle ouders dat ze zich bewust zijn van het feit dat bepaalde kinderen zo veel last kunnen hebben van de leer. Mijn ouders, met wie ik gelukkig liefdevol contact heb, zeiden achteraf: ‘Hadden we het maar geweten.’

Denk je dat ouders dan de leer daarop aan zullen passen?

‘Nee, ik denk niet dat ze dat zullen doen. Maar ik hoop dat ze erover na kunnen denken: Hóe vertellen we er dan over. Of: Wannéér vertellen we onze kinderen voor het eerst over het bestaan van de hel? In hoeverre hebben we zélf aangeleerde angsten?

‘Ik wil een beroep doen op hun liefde. Want ook zij willen het beste voor hun kind. Ook zij willen niet dat hun kinderen getraumatiseerd worden door hun eigen leer. Je zult een lange adem nodig hebben en heel veel kleine stapjes moeten maken. Een radicale ommekeer, dat werkt volgens mij niet. Al zou ik het nog zo graag willen.’ 

Jij bent ook niet voor de afschaffing van artikel 23, althans niet voor een verbod op bijzonder onderwijs?

‘In een verbod zie ik geen oplossing. Vrijheid van onderwijs vind ik een groot goed, omdat het ons ook beschermt tegen staatsscholen. Maar we zouden er wel kritisch naar mogen kijken, en bijvoorbeeld bespreken of het subsidiëren ervan altijd oké is. Het lijkt mij niet goed als je vanuit de overheid het signaal geeft: ‘wij willen dit wel ondersteunen’. Het belangrijkste vind ik dat we het in elk geval over bijzonder onderwijs hébben, samen met alle verschillende mensen die er vanuit hun eigen invalshoek naar kijken.

‘Daarbij moeten we de mensen erbij betrekken die dat zelf hebben meegemaakt en daar langdurig last van hebben. En heel belangrijk, ook de religieuze ouders, omdat ook zij met de beste intenties iets goeds mee willen geven aan hun kinderen. Samen met pedagogen, mensen uit de GGZ en beleidsmakers zou je aan tafel moeten zitten en hiernaar kijken. Omdat het wél een probleem kan zijn, en voor een zorgwekkend aantal mensen ook een probleem ís.’ 

Denk je dat als mensen met deze klachten naar de gezondheidszorg gaan of naar een psycholoog – dat daar voldoende kennis aanwezig is om te helpen? 

‘Nee. Nee, dat is echt een heel groot probleem. Niet-gelovige psychologen begrijpen die impact vaak totaal niet. Die hebben soms een houding van: ‘Nou ja, je geloof in Sinterklaas kon je ook verliezen; alleen heb je hier wat langer in geloofd dus dan is het wat heftiger. Get over it.’ Ze zien het vaak ook als een lichte identiteitscrisis en dat moet na een jaartje wel weer oké zijn. Maar het kan zó veel ingrijpender zijn dan dat.’

Nu je dat nu zegt, voel ik opnieuw wat schaamte omdat ik dat vroeger ook had kunnen denken. Ik denk niet dat ik het gezegd zou hebben, maar ik denk wel dat ik er in wezen zo over dacht – ‘zo lijkt me dat dan’ – omdat ik gewoon niet weet hoe het is.

‘Ik neem dat niemand kwalijk. Het is een heel logische gedachtegang. Je kunt het misschien alleen maar weten als je het van binnenuit hebt meegemaakt én als je eruit gestapt bent. Want de mensen die nooit van ‘buiten’ naar ‘binnen’ hebben gekeken, beleven het heel anders. Zij zijn heel loyaal in hun geloof, zij voelen die problematiek niet.’

Religie heeft ook mooie kanten. Ik ben tegen onderdrukking, niet tegen religie


Wat is het belangrijkste dat je zou willen vragen aan iedereen die dit leest? 

‘Luister, luister met aandacht. Juist omdat het verhalen zijn die heel veel mensen niet begrijpen, waarvan jij in eerste instantie misschien denkt ‘wat overdreven’ of ‘nou, die zit wel heel erg in de slachtofferrol’. Dat is een logische en menselijke reactie als je de ander niet begrijpt. Maar dat belemmert dat je oprecht luistert. En dan loop je er met een boogje omheen.’

En als ik jou hoor zou er ook veel meer kennis moeten zijn bij hulpverleners of in ieder geval bij een aantal hulpverleners die hierin gespecialiseerd zouden moeten zijn. Of misschien zijn die er al?

‘Op Dogmavrij staat een overzicht van mensen die de kennis hebben, die zelf hebben ervaren dat religie schadelijk kan zijn, of in elk geval tot klachten kan leiden. Maar dat zijn er nog maar twaalf. Het moeten professionele mensen zijn, die voldoende afstand genomen hebben van hun eigen geschiedenis, en die echt kundig zijn in het hulpverlenen. Marlene Winell schrijft over het Religieus Trauma Syndroom waar zowel ex-religieuze als religieuze mensen onder kunnen lijden. Ik zou graag willen dat daar veel meer aandacht voor kwam.’

Vind je ook dat media de verhalen meer zouden moeten brengen? 

‘Ja. Maar – het gevaar van veel media is dat je verhaal louter gebracht wordt als ‘hier is weer iemand die tegen de kerk schopt’. En ik wil absoluut niet gebruikt worden om alleen maar te ‘laten horen hoe slecht religie is’. Religie heeft ook mooie kanten. Ik ben tegen onderdrukking, niet tegen religie.’

Voor mij voelt het heel erg als: ik had ook zo opgevoed kunnen zijn. Ik zou best zo gezagsgetrouw kunnen zijn geweest dat ik nu nog steeds heel gelovig zou zijn. Maar ik denk wel dat ik heel erg ongelukkig zou zijn of, dat ik in ieder geval heel veel gemist zou hebben van wat ik nu waardevol vind. Jij bent iemand die autonoom heeft kunnen denken. Ik vraag me altijd af: wat zou het met mij gedaan hebben?

‘Ik zou het heel mooi vinden als mensen zich dát zouden proberen voor te stellen. Wat doet het met je als je leert wát je moet denken, maar niet hoe je moet denken? Zelf stel ik me ook wel eens de vraag: waar zou ik nu zijn als ik niet zwanger was geweest in een slecht huwelijk? Want pas toen ontstond een vechtlust in mij en besloot ik: ik ga hier weg. Ik weet ook niet waar ik die kracht vandaan haalde of die waanzin, zoals ik het toen voelde. Tóen was ik bang dat ik onder invloed van de duivel was.’

Maar hoe verdrietig is dat – dat als je opkomt voor jezelf in een schadelijke relatie, dat je denkt dat dát het werk van de duivel is? 

‘Dan ben je zó ontzettend destructief geprogrammeerd. Dat zit heel diep, dat zie ik bij heel veel kerkverlaters. Je hebt totaal niet geleerd om aandacht te geven aan je eigen gevoelens, aan eigen behoeften. Je bent heel erg snel geneigd je af te stemmen op de wil van de ander. In de kerk was dat God, of je ouders, of de dominee, of alle mensen die vonden dat ze namens God spraken en die jou konden vertellen wat Gods wil was in jouw leven – daar moest je dan naar luisteren. Je wordt getraind om te gehoorzamen. 

‘Bij catechisatie vertelde de dominee ons: ‘Wat je hier leert, is waar. Nog méér waar dan alles wat je zelf kunt zien. Wij weten uit de Bijbel dat hemel en hel bestaan. En alles wat je ooit zelf ziet of hoort dat tegen deze leer ingaat – dat komt van de duivel.’ Zelfs als een groep mensen het waarneemt, dan kon dat een groepshallucinatie van de duivel zijn.’

Dus je leerde dat je zelfs je eigen zintuiglijke waarnemingen niet mag vertrouwen?

‘Voor mij was het bestaan van de duivel en de hel, méér waar dan dat de lucht blauw is en het gras groen.’

Wat ik heel erg hard vond in sommige gereformeerde overtuigingen, was dat het al een zware zonde is als je ook maar één keer twijfelt. Dat is wel een heel effectieve manier tegen dissidentie. Want vrijwel niemand zal dan durven doordenken op een vraag die in zijn hoofd opkomt.

‘Heel efficiënt hè? Ik ken dat van vroeger, dan durfde ik niet meer verder te gaan met vragen, want ik dacht: als ik daar nu mee verder ga, dan ben ik die ongelovige, die kleingelovige. Twijfel was iets dat weliswaar niet verboden, maar toch zeker ook ‘niet de bedoeling’ was. Voor mij was twijfel iets om je voor te schamen. Ik moest alles wat niet klopte maar gewoon in geloof aannemen.’ 

Maar dat je zelfs wat je ziet en voelt niet mag geloven omdat dominee het méér weet – dat is zo verwrongen.

‘Het heeft een blijvende, sterke invloed op mensen. Het kost zoveel energie als je elke keer héél bewust naar jezelf moet gaan. Je bent niet gewend om vanuit jezelf dingen te ervaren, en daar vanuit jezelf mee om te gaan. En toch is dit nodig om gezond te kunnen functioneren.’ 

Ik sta door dit gesprek met jou en eerder al dat met Fatima El Mourabit ook geconfronteerd met mijn eigen voordelen. Ik heb de verhalen over verstoting, over het niet onder eigen naam willen spreken om de familie geen verdriet te doen, gehoord van voormalige moslims. Maar ik dacht eerder dat dit voor christenen, sinds de jaren 70 en 80, veel makkelijker was geworden.

Ik wil niet meer tegen mijzelf kiezen‘

Veel mensen hebben het beeld dat het traumatisch is om het los te laten vooral bij islam, en ook bij Jehova’s Getuigen. Die staan er ook om bekend dat ze hun kinderen dan moeten verstoten. Dat vinden we de ‘extremen’, hier in Nederland, maar ‘wij’, onze ‘normale christelijke gemeenschappen, die hebben dat niet’. En het zijn ook uitzonderingen dat ouders, familieleden of vrienden het contact helemaal verbreken. Maar het gebéurt wel. Wat je wel heel veel ziet is dat relaties en contacten langdurig of blijvend verstoord raken. Het blijkt voor (voormalig) groepsgenoten vaak een zeer pijnlijk proces om van levensbeschouwelijk inzicht te gaan verschillen.’

En zoals ik op jouw site lees is dat ook niet de enige manier waarop een breuk met je religie traumatisch is. Omdat hoe dan ook die opvoeding levenslang in je systeem blijft zitten, in elke vezel eigenlijk. En omdat verstoting niet het enige is waardoor je je toch heel erg afgesneden kunt voelen van je familie.

‘Ja. Want het is al heel erg als de hele familie naar jou kijkt als degene die vader en moeder zo veel verdriet heeft gedaan. Jij bent volgens hen degene die de oplossing in handen lijkt te hebben. Kom nou maar weer gewoon naar de kerk, dan zijn ze minder verdrietig. Doe maar weer net als wij, dan is alles weer goed. Het is heel erg naar om die positie te hebben, ook al gaat iedereen lief en aardig met je om. Maar ik wil niet meer tegen mijzelf kiezen.’ 

Vrij Links lijn

Vrij Links is een meerstemmig platform. Tenzij anders vermeld, spreken auteurs op persoonlijke titel.