Waarom zou godsdienstvrijheid niet kunnen vallen onder het bredere begrip ‘levensovertuiging’? Deze vraag riep Jan Bockma onlangs op, als reactie op Paul Bordewijks artikel Godsdienstvrijheid doet ertoe. Een godsdienst is volgens Bockma immers ook een levensovertuiging, dus aparte benoeming zou onterecht een signaal afgeven dat gelovigen een aparte positie hebben. Bordewijk ziet het anders: ‘Godsdienst komt van ‘dienen’, levensovertuiging van ‘overtuigd zijn’. En dat is niet hetzelfde.’

Jan Bockma heeft gereageerd op mijn artikel waarin ik ervoor pleitte om godsdienstvrijheid in de Grondwet te handhaven. Ik deed dat omdat in de Grondwet de vrijheid van godsdienst op één lijn staat met de vrijheid van levensovertuiging, en het niet alleen gaat om het uiten van je mening, maar ook van handelen conform je godsdienst of levensovertuiging.

Volgens Bockma maakt de vrijheid van levensovertuiging het overbodig om godsdienstvrijheid in de Grondwet op te nemen, omdat godsdienst een levensovertuiging is. Wanneer dat zo is, is het de vraag waar we ons druk over maken. Wanneer de vermelding van godsdienstvrijheid in de Grondwet niets toevoegt, kan het dus ook geen kwaad. Maar je kunt je ook afvragen of godsdienst en levensovertuiging niet heel verschillende dingen zijn. Godsdienst komt van ‘dienen’, levensovertuiging van ‘overtuigd zijn’. En dat is niet hetzelfde.

Wie een godsdienst belijdt, onderwerpt zich daarmee aan een gezag buiten hem. Dat gezag beroept zich op een goddelijke openbaring, die is vastgelegd in heilige boeken. Meestal belijd je een godsdienst omdat je zo bent opgevoed, soms ga je over tot een (andere) godsdienst omdat je je daartoe voelt aangetrokken. Maar de inhoud van die openbaring gaat verder dan je eigen overtuiging. Christenen willen weten wat er over een bepaald onderwerp in de bijbel staat omdat ze gezag toekennen aan de bijbel, niet omdat ze die willen toetsen aan hun eigen levensovertuiging. Toen er nog echte katholieken waren in ons land, gehoorzaamden die de Paus.

Bij een levensovertuiging is dat anders. Die bestaat uit een geheel van opvattingen dat je zelf hebt gevormd, en dat niet afkomstig is van een goddelijke openbaring. Uiteraard speelt je opvoeding daarbij een rol, net als de boeken die je hebt gelezen en de films die je hebt gezien. Mijn eigen opvattingen – opa vertelt! – zijn mede gevormd door boeken van Bertrand Russell, Karl Popper en Karel van ‘t Reve. Maar dat betekent niet dat ik daarmee wat deze auteurs stellen voetstoots voor waar aanneem. Geconfronteerd met een citaat dat iets tegenspreekt dat ik zelf geschreven heb, zal ik eerder zeggen dat ik het met dat citaat niet eens ben, dan mij te verontschuldigen voor mijn ketterse gedachten.

Binnen een levensovertuiging ben je alleen gebonden aan normen en waarden die je uit jezelf onderschrijft, niet aan het gezag van heilige boeken. Godsdiensten kennen vaak gedetailleerde voorschriften die in de loop van de tijd kracht hebben gekregen, maar die je als gelovige zelf niet zou verzinnen. Daarom raadpleeg je de pastoor, de dominee, de imam of de rabbi. Vooral het joodse geloof kent veel gedetailleerde voorschriften waar je je als buitenstaander over kunt verbazen, maar die voor de gelovigen zelf grote betekenis hebben.

Typerend voor een godsdienst is ook dat je die in eerste instantie alleen kunt delen met iemand die in dezelfde sfeer is opgegroeid. Veel moslims zijn zelfs van mening dat je bij je geboorte moslim wordt, en daar nooit meer van af mag komen. Voor een levensovertuiging geldt dat niet. Mensen op heel verschillende plekken op de wereld kunnen spontaan tot eenzelfde inzicht komen, bijvoorbeeld dat het idee van een goede god in strijd is met het idee van een almachtige god. Het is dus ook niet zo dat ongeloof ook een geloof is, zoals christenen soms beweren – géén postzegels verzamelen is ook niet een vorm van postzegels verzamelen.

Een godsdienst is dus méér dan een levensovertuiging, omdat deze ook uitspraken kan omvatten die de gelovige niet noodzakelijk hoeft te kennen, maar waar hij wel goddelijk gezag aan toekent. Een levensovertuiging omvat daarentegen de eigen inzichten van mensen, en is dus een individuele zaak.

Bockma bestrijdt dit met een rechterlijke uitspraak dat voor het erkennen van een levensovertuiging het noodzakelijk is dat sprake is van een existentiële gemeenschappelijke overtuiging, dat wil zeggen een min of meer coherent stelsel van ideeën, waarbij het gaat om fundamentele opvattingen over het menselijk bestaan. Dat laatste lijkt me inderdaad essentieel, maar dat er sprake zou moeten zijn van een gemeenschappelijke overtuiging niet.

Mijn eigen levensovertuiging is een samenstel van opvattingen waarvan er vele ongetwijfeld ook door anderen gedeeld worden, maar die in totaal toch mijn levensovertuiging vormen en niet die van iemand anders. Veel daarvan is ook impliciet; ik heb mijn levensovertuiging nooit volledig uitgeschreven. Wanneer ik op een punt van mening verander, is er geen geloofsgemeenschap waaraan ik daarover verantwoording hoef af te leggen. Wanneer ik mij daarop beroep, kan een rechter proberen te toetsen of ik het serieus meen, maar niet of ik die overtuiging deel met anderen.

In de tijd dat ik mij voor het humanisme interesseerde, zo rond mijn twintigste, zag je binnen het Humanistisch Verbond wel een poging om zo’n samenhangende overtuiging te formuleren, waarbij ontplooiing in medemenselijkheid en gerichtheid op werkelijk menselijke waarden een grote rol speelden. Hoe loos dit was, werd voor mij overtuigend aangetoond toen de voorzitter van het HV in de brochure Humanisme en sexualiteit in 1963 stelde dat homofilie de volledige ontplooiing van het menszijn niet bevorderde.

Ik ben het dus niet eens met die rechterlijke uitspraak. Of iemand die veganist is ergens kan werken hangt ervan af hoe hij met dat veganisme omgaat. Wanneer een zorgverlener geen dierlijk voedsel wil klaarmaken voor klanten die dat willen, is hij inderdaad niet geschikt, en zal hij voor zijn levensovertuiging over moeten hebben dat hij ander werk moet zoeken. Dat is er niet afhankelijk van of er een sterke veganistische gemeenschap bestaat is waarin men het veganisme collectief belijdt.

Het vreemde van die rechterlijke uitspraak is ook dat artikel 6 van de Grondwet het juist heeft over het recht zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen te belijden. Dat wijst toch ook op de levensovertuiging als individuele zaak, niet als iets van een groep.

Hoewel ik niet godsdienstig ben, gun ik andere mensen vrijheid van godsdienst, zoals ik van hen ook verwacht dat zij mij vrijheid van levensovertuiging gunnen. Helemaal vanzelfsprekend is dat niet; in mijn studententijd kwam ik nog vaak mensen tegen die zich afvroegen of je wel moreel kon handelen zonder in god te geloven. KVP-leider Romme – een verre voorganger van Sybrand Buma – stelde vlak na de oorlog voor dat de Grondwet in een preambule het bestaan van god zou belijden, en dat alleen wie dat onderschreef stemrecht zou krijgen. Those were the days!

Het was ook de tijd dat Nederland tevergeefs probeerde het bestaan van god op te nemen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Tegenwoordig zijn de ongelovigen in de meerderheid. Maar dat betekent niet dat ze de gelovigen met dezelfde munt moeten terugbetalen.

Wanneer iedereen vindt dat godsdienst ook een levensbeschouwing is, is het niet nodig vrijheid van godsdienst in de Grondwet op te nemen, maar kan het ook geen kwaad. Maar je kunt daar best vraagtekens bij zetten, en dan kan het dus wel degelijk consequenties hebben. Er zijn juist veel mensen die niet vinden dat bij de wetgeving rond ritueel slachten en besnijdenis van jongetjes godsdienstvrijheid een belangrijke overweging moet zijn.

In mijn artikel heb ik ook genoemd dat de godsdienstvrijheid zoals omschreven in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens onder druk staat, omdat islamitische landen daar niets van moeten hebben. Dat geldt vooral omdat die verklaring het ook heeft over het recht van godsdienst en geloof (apart genoemd) te veranderen. Zoals ook het Beginselmanifest van de PvdA het recht op geloofsafval expliciet noemt. Daarmee wordt een streep getrokken ten opzichte van moslims die dat recht bestrijden, al blijkt in de praktijk niet elk PvdA-lid het daarmee eens.

Als we toch aan de Grondwet gaan sleutelen, lijkt mij het expliciet noemen van het recht om van godsdienst te veranderen een zinvoller wijziging dan het schrappen van de vrijheid van godsdienst. Het streven naar dat laatste zal alleen maar een heilloze verwarring oproepen, zonder dat het ergens toe zal leiden.