Leestijd 3 minuten

Eerlijk zeggen: kunt u zich de aanslagen van 3 juli 2016 herinneren?

Zeer waarschijnlijk niet. Bij een dubbele bomaanslag in een winkelgebied in Bagdad kwamen toen 292 mensen om en raakten er meer dan driehonderd mensen gewond. De aanslag was gericht tegen het sjiitische deel van de lokale bevolking en werd gepleegd door de terreurgroep IS.

Toegegeven: in Irak waren aanslagen destijds aan de orde van de dag. Het contrast met de zeldzaamheid van een eveneens ideologisch gemotiveerde aanslag in Nieuw-Zeeland is daardoor groot, maar hoewel dat wel de mindere mate van nieuwswaardigheid verklaart, verklaart het niet het enorme verschil in medeleven. De lokale uniciteit van het geweld maakt het verlies van een mensenleven niet erger.

Er is meer aan de hand dan puur de geweldsfrequentie: we moeten er op de een of andere manier mee te maken hebben. Voor de mate van media-aandacht die een gebeurtenis krijgt, maakt het nogal uit of we ons kunnen identificeren met dader of slachtoffer. Niet de misstand is de eigenlijke kern van het nieuws, maar onze directe, of indirecte betrokkenheid. Dat was bij de dubbele aanslag in Irak blijkbaar niet genoeg het geval. Een soennitische terreurgroep die een slachting aanricht in een sjiitische wijk, leidt niet tot identificatie. Een rechtsextremist die in een westers land onschuldige moskeebezoekers vermoordt, doet dat wel.

Bij de aanslagen in Sri Lanka is iets soortgelijks aan de hand. Nu zijn de slachtoffers paasvierende christenen; die mensen lijken blijkbaar genoeg op ons om ons medeleven te verdienen.

Het is ergens wel logisch, maar dat maakt het niet minder wrang. Willen we het écht erg vinden, dan moeten we ons met óf de dader identificeren – en moeten we per se onze afschuw en ons medeleven tonen – óf met de slachtoffers – dan volstaat medeleven. Lijken we in niets op een van beiden, dan blijven de slachtoffers een getal uit de categorie ‘ander nieuws’.

Een soortgelijk principe valt waar te nemen als het gaat om een ander onderwerp: slavernij. Tussen 1500 en 1900 werden er ruim twaalf miljoen Afrikaanse tot slaaf gemaakten op transport gezet naar Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Bijna twee miljoen van hen overleefden de overtocht niet. In dit geval kennen we de nazaten van de daders – dat zijn we deels zelf – en die van de slachtoffers – idem. Het is dan ook goed te verklaren waarom er voor deze ongekende misdaad tegen de menselijkheid meer aandacht gevraagd wordt dan er al voor is.

Maar die aandacht gaat ten koste van andere slachtoffers. In het Midden-Oosten en Noord-Afrika bestond namelijk óók slavernij. Niet minder dan zeventien miljoen tot slaaf gemaakten van beneden de Sahara kwamen daar terecht.

En ook nu nog bestaat er slavernij en wel op ongekende schaal. Schattingen over het aantal mensen dat op dit moment wereldwijd in slavernij tot werk gedwongen wordt, lopen uiteen van 21 tot 70 miljoen mensen, afhankelijk van de definitie. Over hen horen we maar zelden iets. Zowel de daders als de slachtoffers staan blijkbaar te ver van ons af voor onze schaamte of ons medeleven.

Ook racisme krijgt pas de nodige aandacht zodra er identificatie met de daders of slachtoffers is. Het probleem is alleen dat racisme vaak veel minder makkelijk te herkennen is dan slavernij of aanslagen. De verleiding om dader- en slachtofferschap te ontkennen of juist aan te wijzen is er, misschien wel daarom, niet minder om. Het gevolg is dat in bepaalde groepen racisme pas racisme heet zodra een meerderheidsgroep een minderheidsgroep discrimineert. Dan bestrijd je niet het principe van racisme, maar het gebrek aan erkenning van het eigen slachtofferschap.

Het lijkt erop dat we onszelf in moreel opzicht flink voor de gek houden. We zeggen extreme mensenrechtenschendingen als aanslagen, slavernij en racisme te verafschuwen, maar eigenlijk gaat het ons om weinig anders dan identificatie. Is die er niet, dan blijven slachtoffers hoogstens getallen. Niet de kern van deze misdaden raakt ons, maar de mate waarin we ons erin herkennen.

Vrij Links lijn

Vrij Links is een meerstemmig platform. Tenzij anders vermeld, spreken auteurs op persoonlijke titel.