‘Dames en heren … de rechtbank’. Op deze zondagmiddag 26 mei heeft debatcentrum De Balie in Amsterdam een symbolische rechtbank opgetuigd. Vandaag staat hier geen verdachte, maar artikel 23 terecht: het grondwetsartikel dat voorziet in de Vrijheid van Onderwijs (VVO) en dat de laatste tijd veel stof doet opwaaien in het politieke en maatschappelijke debat. Tijdens een sfeervolle middag in een goedgevulde De Balie, pleit aanklager en strafrechtadvocaat Gerard Spong voor afschaffing van het artikel, en verdediger en onderwijsadvocaat Wouter Pors voor het behoud ervan.

Na introductie en duiding door Luuk Ex, programmamaker van De Balie, voorziet Edith Hooge, hoogleraar onderwijsbestuur bij TIAS (Universiteit van Tilburg) en voorzitter van de Onderwijsraad, de aanwezigen met een minicollege van achtergrondinformatie. Ze vertelt dat artikel 23 de financiële gelijkstelling tussen het bijzondere en het openbare onderwijs regelt. In vogelvlucht behandelt Hooge de totstandkoming van het nationaal onderwijsbeleid, van de Bataafse staatsregeling in 1798 tot en met de pacificatie van 1917 – toen er een einde kwam aan de zogeheten ‘schoolstrijd’ en artikel 23 werd ingevoerd. Deze pacificatie was een compromis tussen de liberalen en de confessionelen: de confessionelen kregen overheidsfinanciering van scholen op religieuze grondslag en de liberalen kregen, in ruil daarvoor, het algemeen mannenkiesrecht – het algemeen vrouwenkiesrecht zou twee jaar later volgen.

Op zaterdagmiddag 29 juni presenteert Vrij links ‘Het Vrijheid en Onderwijsdebat’ over artikel 23, segregatie en individuele vrijheid. Kom mee debatteren met opiniemakers, deskundigen en vertegenwoordigers van diverse politieke partijen uit de Tweede Kamer over deze belangrijke thema’s. Kaarten zijn beschikbaar via onze website.

Wat is het verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs? Hoe verhoudt zich dat tot speciaal of religieus onderwijs?

Hooge legt uit dat in Nederland twee op de drie scholen bijzonder zijn. Dat betekent onderwijs op particulier initiatief, waar les wordt gegeven vanuit een bepaalde richting, oftewel een godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, zoals katholiek, antroposofisch of reformatorisch, maar ook ‘algemeen bijzonder’: een pedagogisch onderwijskundige stroming, zoals op Montessori-, Delta- of Jenaplan-scholen.
Openbaar onderwijs is daarentegen niet particulier, maar van overheidswege gesticht en is niet gebaseerd op een godsdienst of levensovertuiging. Vroeger betekende dat ‘neutraal  onderwijs’, oftewel vrij van religie; de afgelopen decennia betekent het ‘actief pluriform’, oftewel met respect voor álle religies en levensovertuigingen.
Speciaal onderwijs is er voor kinderen met speciale leer- en ontwikkelingsbehoeften.

De praktijk leert dat zowel bijzondere als openbare scholen uit een mix van leerlingen bestaan. Zo stuurt bijna de helft van de buitenkerkelijke ouders hun kinderen naar een rooms-katholieke of protestants-christelijke school.

Volgens Hooge is het echter belangrijk te beseffen dat artikel 23 niet alleen over de VVO gaat, maar ook over de verplichting van de overheid om actief op te treden. Artikel 23 faciliteert in die zin het evenwicht – of de spanning – tussen enerzijds sociale grondrechten die de overheid tot actie verplichten in het onderwijs, en anderzijds de klassieke onderwijsgrondrechten van de burgers ten opzichte van de overheid. De VVO wordt ook wel de leer der drie vrijheden genoemd: de vrijheid om een school te stichten, de vrijheid van inrichting en de vrijheid van richting.

Daarnaast zegt lid 1 van artikel 23 dat het onderwijs een ‘voorwerp van de aanhoudende zorg der regering’ is. Dit betekent dat de overheid bekostigingsvoorwaarden en kwaliteitseisen mag stellen aan het onderwijs via deugdelijkheidseisen. De wetgever bepaalt hierin de grenzen, die de inspectie via het toezichtkader moet controleren en handhaven.

De grens tussen actieve overheidsbemoeienis en VVO – en het evenwicht tussen beide – is afhankelijk van de tijdsgeest en ontwikkelingen in de samenleving. De afgelopen decennia is de overheidsbemoeienis toegenomen, bijvoorbeeld in de bekostigingsvoorwaarden en in het stellen van de voorwaarden rond de kerndoelen in het onderwijs, de bekwaamheid van leraren en de wettelijke verplichting tot het bevorderen van actief burgerschap, integratie en tolerantie.

Hoe zit het met het weigeren van leerlingen of leraren op basis van levensovertuiging of godsdienst?

Hooge legt uit dat openbare scholen en 95 procent van de bijzondere scholen geen leerlingen mogen weigeren op grond van levensovertuiging of godsdienst. Maar scholen met een sterke, eenduidige, geprofileerde identiteit of grondslag – vaak een orthodoxe religie of levensovertuiging – mogen een gesloten toelatingsbeleid hanteren. Vijf procent van de bijzondere scholen in Nederland hanteert zo’n gesloten toelatingsbeleid. Dat wil zeggen dat ze leerlingen mogen weigeren die niet leven naar de richting van de school – zoals reformatorisch, orthodox-joods of islamitisch – of die niet onderschrijven; het gaat dan over leefregels als tv-kijken, voeding, kerkgang, kleding en feestdagen.

Er is een verbod op het maken van onrechtmatig onderscheid, zoals het weigeren van leraren op basis van politieke gezindheid, ras, geaardheid of burgerlijke staat, of ze om die reden te ontslaan. Wel mogen zowel bijzondere als openbare scholen leraren weigeren of ontslaan: als ze de grondslag van de religie of de uitgesproken opvatting van de school niet vormgeven en uitdragen of als ze die tegengaan.

In het geval van een bijzondere school noemt Hooge het voorbeeld van een homoseksuele leraar die lesgeeft en daarbij zijn geaardheid uitdraagt op een manier die niet in lijn is met de levensbeschouwing of grondslag van die school. Het gaat dus niet om het gegeven van homoseksualiteit ‘as such’ – de leraar mag homoseksueel zijn – maar om het niet naleven van de richting van de school.

Op eenzelfde manier mag een openbare school een lerares met een hoofddoek niet weigeren om het dragen van de hoofddoek ‘as such’. Maar als haar gedrag indruist tegen de actieve pluriformiteit van het openbaar onderwijs – respect voor verschillende levenswijzen en religies – dan kan het een reden zijn om haar niet aan te nemen of om haar te ontslaan.

Na afloop van Hooges college stellen presentator en gelegenheidsrechter Bahram Sadeghi en amicus curiae – vriend van de rechtbank – Frans Bauduin, strafrechter, aanvullende vragen.

Ze vragen onder andere of er cijfers bekend zijn over het succes van openbare en bijzondere scholen en hoe het zit met de segregatie in het onderwijs. Hooge legt uit dat volgens onderwijskundigen de prestaties van leerlingen voor 80 procent verklaard kunnen worden door het opleidingsniveau en de achtergrond van hun ouders. Er zijn hierbij geen aanwijzingen voor prestatieverschillen tussen openbare en bijzondere scholen: de verschillen tussen de scholen bínnen het openbare of bijzondere onderwijs zijn groter. Segregatie in het Nederlandse onderwijs bestaat vooral tussen kinderen met hoog- en met laagopgeleide ouders. Aan deze vorm van segregatie dragen algemeen bijzondere scholen en kleine religieuze scholen iets meer bij dan andere richtingen. Etnische segregatie neemt de laatste jaren af.

De aanklager: Gerard Spong

‘Bijzonder onderwijs [op religieuze grondslag] is onderwijs dat op gespannen voet staat met onze democratie en fundamentele vrijheden. De gewaarborgde tolerantie wordt erdoor bedreigd. En daarmee wordt ook onze rechtsstaat bedreigd. Tolerantie is immers onlosmakelijk onderdeel van het discriminatieverbod dat in artikel 1 van onze grondwet is vervat.’

Volgens Gerard Spong fungeert artikel 23 van de grondwet als een ‘Paard van Troje’, dat een gevaarlijke bedreiging vormt voor de rechtsstaat. In een eloquent, gepassioneerd betoog pleit Spong voor een absolute scheiding tussen kerk en staat en het schrappen of, op z’n minst, aanpassen van artikel 23. Voortbouwend op de recente controverse rondom het Cornelius Haga Lyceum, waarschuwt Spong dat er via artikel 23 verwerpelijke islamitische en christelijke opvattingen, die in strijd zijn met onze rechtsstaat, als referentiekader aan kinderen geïntroduceerd worden.

Spong acht schoolse indoctrinatie op religieuze grondslag een reëel gevaar voor fundamentele vrijheden. Hij verwijst naar radicale islamitische docenten, de sharia, de weigering van mazelen-vaccinaties in gereformeerde kringen, homofobe elementen en vrouwendiscriminatie binnen het rooms-katholicisme en naar het feit dat we het als maatschappij accepteren dat iemand zijn functie zou moeten neerleggen wegens openlijke homoseksualiteit. Spong: ‘Liever vandaag dan morgen verdient deze bepaling bij het grofvuil neergezet te worden.’

De verdediger: Wouter Pors

‘De vrijheid van het onderwijs om met inachtneming van de noodzaak om een bepaald niveau te bereiken, een veelzijdig aanbod te creëren, is onverminderd essentieel om een pluriforme democratische samenleving te bouwen en in stand te houden met mondige burgers die daaraan met verschillende opvattingen deelnemen.’

Wouter Pors, tevens onderwijsrechtadvocaat en advocaat van het Cornelius Haga Lyceum, pleit voor behoud van artikel 23 met inachtneming van de hedendaagse context. Volgens Pors gaat het om de vrijheid van de burger ten opzichte van de overheid; niet per se of in de eerste plaats om de bescherming van een levensbeschouwelijke richting. Pors wijst op voorbeelden van statelijke en kerkelijke censuur van onderwijs en wetenschap, zowel hedendaagse (Hongarije) als historische (Galileo Galilei). Hij stelt dat de Nederlandse staat niet het exclusieve recht heeft om te bepalen wat kinderen op school leren, juist dankzij het klassieke grondrecht van vrijheid ten opzichte van de staat, dat verankerd is in artikel 23. ‘Respect voor grondrechten biedt meer perspectief dan een monopolie voor staatsonderwijs.’

Bovendien, zegt Pors, staat artikel 23 niet alleen: de Nederlandse overheid is ook via andere verdragen en artikelen verplicht om te zorgen voor het onderwijs en overheidsfinanciering daarvan. Daarnaast is het verbod op discriminatie verankerd in andere wetten. Pors wijst Spong erop dat opvattingen van islamitische jongeren niet gelijkstaan aan islamitische scholen.

Hij pleit voor een wijziging van artikel 23 om een richtingsvrije school mogelijk te maken: ‘Er zijn in Nederland vele minderheden. Naar mijn mening bereik je geen integratie door als overheid te proberen die minderheden hun eigen identiteit af te pakken en te verbieden om die identiteit ook in het onderwijs, als zij dat nodig vinden, over te dragen.’

Pors stipt aan dat de onderwijsinspectie inmiddels heeft vastgesteld dat het salafisme geen rol speelt in het onderwijs aan het Cornelius Hagalyceum. Citerend uit het nog niet openbare rapport, vervolgt hij: ‘Evenmin heeft de inspectie aanwijzingen aangetroffen dat sprake zou zijn van een klimaat gericht op afzijdigheid van de Nederlandse samenleving of het tegengaan van integratie.’

Het vonnis

‘… tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’ (Willem Elsschot, geciteerd in het vonnis door rechter Frans Bauduin)

Na een korte schorsing komt de symbolische rechtbank voor het vonnis bijeen. Bahram Sadeghi en Frans Bauduin vragen zich af of artikel 23 wel hét probleem is. Is er niet sprake van een ander probleem, zoals de segregatie in het onderwijs en de ongelijke verdeling tussen witte en zwarte scholen? En levert eventuele afschaffing van overheidsfinanciering van bijzonder onderwijs geen nieuwe problemen op rondom de financiering van privé-onderwijs?

Ze stellen dat er oog moet zijn voor het verleden, maar dat we ons wel moeten realiseren dat de confessionele basis aan verandering onderhevig is: de grens tussen bijzonder en openbaar onderwijs is aan het vervagen. ‘Diversiteit moet gericht zijn op het bevorderen van integratie en moet niet leiden tot segregatie. Het is de taak van de overheid om actief al datgene te doen en te financieren wat betrekking heeft op de kwaliteit van het onderwijs. De inspectie moet hierin een krachtiger wapen worden. Het geeft geen pas als de financiering van een school gebeurt door een buitenlandse mogendheid of organisatie.’

Gezien het belang van de voortgaande discussie omtrent kwaliteit van het onderwijs, pluriformiteit en gelijke kansen voor iedereen, komt de rechter tot een tussenvonnis: de zitting zal worden voortgezet op een nader te bepalen tijdstip.

De livestream van de symbolische rechtbank over artikel 23 is terug te vinden op de website van De Balie. Kijk, luister en oordeel zelf!

Op zaterdagmiddag 29 juni presenteert Vrij links ‘Het Vrijheid en Onderwijsdebat’ over artikel 23, segregatie en individuele vrijheid. Kom mee debatteren met opiniemakers, deskundigen en vertegenwoordigers van diverse politieke partijen uit de Tweede Kamer over deze belangrijke thema’s. Kaarten zijn beschikbaar via onze website.

Vrij Links lijn

Vrij Links is een meerstemmig platform. Tenzij anders vermeld, spreken auteurs op persoonlijke titel.